Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De (verdere) feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat partneralimentatie centraal. De vrouw, arbeidsongeschikt en met een WIA-uitkering, vordert een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud. De man voert tegenbewijs aan dat zij als kapster aan huis werkt en stelt dat de alimentatieplicht moet eindigen wegens samenwoning met een ander en wangedrag van de vrouw.
Het hof beoordeelt het tegenbewijs en concludeert dat de vrouw niet in staat is volledig in haar behoefte te voorzien. De aangevoerde werkzaamheden zijn onvoldoende onderbouwd en de aanvullende behoefte wordt vastgesteld op € 578,- bruto per maand. Daarnaast wordt het verzoek van de man tot beëindiging van alimentatie wegens samenwoning afgewezen, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat sprake is van samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW Pro.
Ook het beroep op beëindiging van de onderhoudsplicht wegens wangedrag wordt verworpen, omdat de gedragingen niet ernstig genoeg zijn om de lotsverbondenheid te verbreken. Het hof bepaalt de alimentatiebedragen en wijst het verzoek tot beperking van de duur van de alimentatie af, gelet op de arbeidsongeschiktheid van de vrouw.
Uitkomst: Het hof bepaalt een aanvullende partneralimentatie van € 433,- bruto per maand voor 2014-2015 en € 450,- vanaf 2015 en wijst beëindiging van alimentatie wegens samenwoning en wangedrag af.