ECLI:NL:GHAMS:2016:3058
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uithuisplaatsing minderjarige wegens afgenomen noodzaak
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de uithuisplaatsing van een minderjarige heeft verlengd tot 7 augustus 2016. De moeder betwistte de noodzaak van de uithuisplaatsing en verzocht om vernietiging van deze beschikking en terugplaatsing van de minderjarige.
In eerste aanleg was de minderjarige sinds 2010 onder toezicht gesteld en sinds februari 2016 uit huis geplaatst wegens onveilige thuissituatie en gedragsproblemen. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk bleef vanwege voortdurende onrust en het niet voldoen aan bodemeisen door de moeder.
Het hof constateert dat de situatie is verbeterd: de onrust met buurtbewoners is afgenomen, de moeder ondergaat therapie en werkt mee met hulpverlening. Het hof acht een verdere uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek van de GI af voor de periode na het vonnis. Het hof beveelt een terugplaatsing onder toezicht en met ondersteuning, onder meer via het Signs-of-Safety-programma. De beschikking van de kinderrechter wordt voor het overige bekrachtigd.
Uitkomst: De verlenging van de uithuisplaatsing wordt vernietigd en de minderjarige kan terugkeren naar huis onder toezicht.