Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[geïntimeerde],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de oogchirurg bij de behandeling van appellant in 2004 handelde in strijd met de toen geldende professionele standaard, met name met betrekking tot de grootte van de behandelzone.
Het hof liet een deskundige een aanvullend rapport uitbrengen, waarin werd geconcludeerd dat er geen solide wetenschappelijke richtlijnen bestonden in 2004 en dat de professionele standaard gebaseerd was op expert opinion en veldnormen die pas vanaf 2007 schriftelijk waren vastgelegd. De deskundige stelde dat de behandelzone gerelateerd diende te zijn aan de grootte van de scotopische pupil, maar dat hierover geen harde richtlijnen bestonden.
Het hof concludeerde dat onvoldoende bewijs bestond dat de professionele standaard in 2004 voorschreef hoe de behandelzone precies moest worden gekozen en dat de oogchirurg niet in strijd met die standaard had gehandeld. De eerdere grieven werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten, inclusief de kosten van het deskundigenrapport.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de oogchirurg niet in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld.