Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Vlietmark Ontwikkeling B.V.),
1.V.O.F. WESTEINDERHAGENVASTGOED,
[X] TRADING B.V.,
[Y] BEHEER B.V.,
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief 1 in het principale appelbetrekking heeft en waarop het hof zo nodig hierna zal terugkomen –, tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan – het onder 2.24 bedoelde feit voor zover dat wel tussen partijen vaststaat – uitgaan. Voor zover Vlietmark in haar voornoemde grief erover klaagt dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2.24, 2.25 en 2.27 iets niet heeft vermeld, doet dit aan de juistheid van de daar wel vastgestelde feiten niet af en zal het hof ook daarop zo nodig hierna terugkomen.
3.De beoordeling
Borgstelling overdrachtsbelasting;
Rentevergoeding
punt 4van deze overeenkomst.
[E]).
Te betalen kosten;
Levering
Na deze sloopwerkzaamheden zal met het oog op de toekomstige bebouwing de grond geëgaliseerd worden.
Deze werkzaamheden worden door en voor rekening van de verkoper uitgevoerd. De sloop en egaliseringswerkzaamheden worden voor rekening en risico van de verkoper gedaan. (…)
Tevens dient vóór de hiervoor bedoelde aanvang door de koper te worden overlegd een onherroepelijke bankofferte (…)
een miljoen zeven honderd duizend euro(…) recht van hypotheek te vestigen, te vermeerderen met eventueel verschuldigde boeten, renten en kosten (…)”.
verlengen tot uiterlijk 1 maart 2012, of zoveel eerder als de bouwvergunning voor het voorziene nieuwbouwplan voor 11 appartementen aldaar zal worden afgegeven en de daartoe benodigde sloop van de nu aanwezige opstallen is gerealiseerd door de verkoper.” Voorts is in deze akte vermeld dat de ontbindende voorwaarden uit de koopovereenkomst zijn vervallen.
Ontwerpbesluit”en in de kop: “
Bouwvergunning 1e fase met projectbesluit [adres 2] - [adres 1]”. Daaronder staat onder de kop BESLISSING dat de gevraagde ‘bouwvergunning 1e fase’ is verleend. Onderaan dit schrijven is vermeld:
Eventuele zienswijzen(…)
Dat inmiddels met de voorbereidingen voor de sloop van de opstallen een aanvang is gemaakt.”
Bouwvergunning 1e fase met projectbesluit [adres 2] - [adres 1] ’een zienswijze van Waternet in behandeling te nemen.
in conventiegevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
avoor recht zal verklaren dat Vlietmark in verzuim is jegens Westeinderhagen c.s. om vanaf (in ieder geval) 20 december 2012 mee te werken aan de juridische levering van de onroerende zaken, te weten: de twee percelen met opstallen plaatselijk bekend [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 1] (gemeente De Ronde Venen) aan zichzelf;
agenoemde onroerende zaken aan zichzelf, tegen betaling aan Westeinderhagen c.s. van de overeengekomen koopsom, zijnde (het totaal van € 1.555.000,= vermeerderd met € 163.687,68, dus) € 1.718.687,68;
in reconventiegevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
aWesteinderhagen c.s. zal veroordelen tot betaling aan Vlietmark van een bedrag van € 464.464,64 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans een zodanig bedrag uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis dan wel ongerechtvaardigde verrijking als de rechtbank juist acht en/of te vermeerderen met een zodanig bedrag aan rente als de rechtbank juist acht;
in conventie, kort gezegd, als volgt overwogen. Kernvraag is of Vlietmark de koopovereenkomst op 12 november 2012 mocht ontbinden. Uit de koopovereenkomst kan worden afgeleid dat Westeinderhagen verplicht was zorg te dragen voor een in beginsel onherroepelijke bouwvergunning, dan wel – indien Vlietmark daarmee zou instemmen – een ‘bruikbare’ bouwvergunning. Vaststaat dat Westeinderhagen uiterlijk op 31 december 2012 aan deze verplichting moest voldoen. Nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat sprake was van een verzoek van een van de partijen om te volstaan met een ‘bruikbare’ bouwvergunning en schriftelijke goedkeuring daarvan door de andere partij en de bouwvergunning 1e fase op 8 februari 2013 en de bouwvergunning 2e fase op 29 april 2013 is verleend, staat vast dat Westeinderhagen niet tijdig heeft voldaan aan haar verplichtingen, tenzij – zoals Westeinderhagen c.s. hebben gesteld – tussen partijen (al dan niet stilzwijgend) is overeengekomen dat Westeinderhagen na de afgifte van het ontwerpbesluit had voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot de vergunningsaanvraag. Uit een aantal omstandigheden lijkt dit te volgen, maar Vlietmark heeft aangevoerd dat zij de inhoud van het ontwerpbesluit van 23 januari 2012 niet kende en dat zij tot het bericht van de gemeente in oktober 2012 steeds ervan is uitgegaan dat de verklaring van Westeinderhagen dat ‘de bouwvergunning was afgegeven’ betekende dat er een daadwerkelijke bouwvergunning (1e fase) was afgegeven. Zelfs als Vlietmark daarvan niet op de hoogte was, is de ontbinding van de overeenkomst echter niet gerechtvaardigd. Vlietmark had de mogelijkheid een beroep te doen op de ontbindende voorwaarde dat ‘geen bruikbare bouwvergunning kan worden verleend’ immers al prijsgegeven voordat er enig (ontwerp)besluit van de gemeente was, zodat de bouwvergunning in het geheel van afspraken kennelijk slechts van ondergeschikt belang voor haar was, terwijl bovendien vaststaat dat het ontwerpbesluit op 3 februari 2012 is gepubliceerd, dat Vlietmark zich heeft bemoeid met de aanvraag van de bouwvergunning 2e fase en dat Vlietmark geen nader onderzoek heeft gedaan alvorens de diverse uitstelovereenkomsten te ondertekenen, wat bevestigt dat de bouwvergunning voor haar slechts van ondergeschikt belang was. Ten slotte valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom Vlietmark in november 2012 niet langer kon wachten totdat de bouwvergunning was afgegeven, gelet op de toch al zeer lange looptijd van het project en op het feit dat de omstandigheid dat Vlietmark zelf de financiering nog niet rond had eraan in de weg stond dat zij ‘snel kon gaan bouwen’. De slotsom is dat de gestelde tekortkoming aan de zijde van Westeinderhagen c.s., gelet op al deze omstandigheden, slechts van geringe betekenis was en ontbinding van de overeenkomst door Vlietmark niet rechtvaardigt. Nu vaststaat dat dat de sloop als bedoeld in artikel 17A van de koopovereenkomst niet heeft plaatsgevonden en niet kan worden vastgesteld dat partijen daaromtrent een afwijkende afspraak hebben gemaakt, staat dit aan toewijzing van de vorderingen van Westeinderhagen c.s. onder
a,
ben
gin de weg, terwijl de vordering onder
cvoor toewijzing in aanmerking komt, de vordering onder
dmoet worden afgewezen reeds omdat deze in het geheel niet is onderbouwd en de inrichting van de vorderingen onder
een
faan toewijzing van deze vorderingen in de weg staat. De rechtbank heeft
in reconventie, kort gezegd, als volgt overwogen. Voor zover de vordering onder
ais gegrond op de stelling dat voor Westeinderhagen c.s. een verplichting tot ongedaanmaking bestaat nu de koopovereenkomst is ontbonden, dient deze vordering op grond van wat in conventie is overwogen te worden afgewezen. Van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van Westeinderhagen c.s. is evenmin sprake, terwijl toewijzing van een contractuele boete – die overigens niet in het petitum wordt gevorderd – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vordering uit hoofde van geldlening ten bedrage van € 27.314,= is, behoudens voor zover Vlietmark heeft gesteld dat dit bedrag is opgelopen met een bedrag van € 17.000,=, niet door Westeinderhagen c.s. bestreden, zodat de vordering onder
b– die door Vlietmark voor het meerdere niet nader is onderbouwd – tot een bedrag van € 27.314,= toewijsbaar is, waarvan verrekening niet is toegestaan. Op grond van een en ander heeft de rechtbank
in conventieVlietmark veroordeeld tot betaling aan Westeinderhagen c.s. van de overeengekomen rente over de koopsom en leningen van € 4.916,81 per maand vanaf 1 juli 2011 tot de datum van levering en Vlietmark veroordeeld in de proceskosten en
in reconventieWesteinderhagen c.s. veroordeeld tot betaling aan Vlietmark van € 27.314,= uit hoofde van geldlening (te vermeerderen met contractuele rente) en Westeinderhagen c.s. veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen partijen over en weer met hun grieven op.
grief I in het incidentele appel bestrijden–, de omstandigheid dat de definitieve bouwvergunning 1e fase op 8 februari 2013 en de definitieve bouwvergunning 2e fase op 29 april 2013 is verleend niet impliceert dat de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst door Vlietmark op 12 november 2012 rechtsgeldig was. Daartoe is het volgende redengevend.
grief 9 in het principale appeltevergeefs is voorgesteld.
evenredigevermindering van wederzijdse prestaties is vereist en daarvan in het onderhavige geval geen sprake is omdat na de (door Westeinderhagen c.s. beoogde) ontbinding voor Vlietmark sommige verplichtingen blijven bestaan, terwijl voor Westeinderhagen c.s. geen enkele verplichting overblijft. Nu partiële ontbinding in het onderhavige geval dus niet mogelijk was en de ontbinding daarom in elk geval in zoverre rechtskracht miste, gaat het hof ervan uit dat Westeinderhagen c.s. hebben beoogd de koopovereenkomst geheel te ontbinden. Westeinderhagen c.s. hebben immers uitdrukkelijk – en terecht – gesteld dat een vordering tot nakoming niet meer tot de (praktische) mogelijkheden behoort. Vlietmark heeft dit eveneens gesteld, wat Westeinderhagen c.s. niet hebben weersproken. Uit een en ander volgt dat na ontbinding van de koopovereenkomst door Westeinderhagen c.s. voor partijen over en weer een verplichting tot ongedaanmaking is ontstaan en dat in elk geval de overeengekomen rente over de koopsom en leningen van € 4.916,81 per maand – die, naar het hof begrijpt, onderdeel is van de vordering van Vlietmark tot ongedaanmaking – voor zover deze vanaf 1 juli 2011 door Vlietmark aan Westeinderhagen c.s. is betaald, door laatstgenoemden aan Vlietmark moet worden terugbetaald, zodat de vordering van Westeinderhagen c.s. op dit punt dient te worden afgewezen. Dit betekent dat
grief 6 en grief 8 in het principale appelslagen.
grief 10 in het principale appelfaalt.
grief IV en grief V in het incidentele appel.
grief 2 tot en met grief 5 in het principale appel, met dien verstande dat laatstgenoemde grief, gelet op wat het hof hiervoor (onder 3.10) reeds heeft overwogen, uitdrukkelijk faalt voor zover deze is gericht tegen de overweging (5.25) in het bestreden vonnis die, kort samengevat, inhoudt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom Vlietmark in november 2012 niet langer kon wachten totdat de bouwvergunning was afgegeven, gelet op de toch al zeer lange looptijd van het project. Westeinderhagen c.s. hebben na het voorgaande geen belang meer bij afzonderlijke bespreking van
grief I tot en met grief III in het incidentele appel.
grief 7 in het principale appeldaaronder begrepen, zal worden aangehouden.