Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[appellante],
STICHTING PROEFPROCESSENFONDS CLARA WICHMAN,
1.Verder verloop van het geding
2.Verdere beoordeling
De vier kandidaten waren allen goed gekwalificeerd, omdat zij meer publicaties hadden dan de andere kandidaten, omdat zij de goede soort publicaties hadden vergeleken met de anderen, omdat zij aantoonbaar goede onderwijskwaliteiten hadden en naar ik geloof ook hele sterke aanbevelingsbrieven hadden, alsmede:
Ik ben tot de ranking van [appellante] gekomen na het bekijken van haar cv. Ik vond haar publicaties niet goed, de publicaties waren grotendeels niet op ons onderzoeksveld, ik was bekend met issues over haar lesgeven en er waren geen aanbevelingsbrieven. Het werk van [appellante] spitste zich toe op andere dingen dan van de onderzoeksgroep toen ik de leerstoel bezette. Haar werk ging wel over geschiedenis, maar niet over de focus van de onderzoeksgroep.Ook de getuige [getuige 3] verklaart in dezelfde trant:
[appellante] heeft diverse functies gehad bij de UvA. Zij viel af en viel ook buiten de score. Ik was zelfs verbaasd dat zij gesolliciteerd had. (…)De getuige [getuige 1] duidt hier eveneens op in haar verklaring:
Mijn oordeel over de kwaliteit was dat [de heer DM. ] kwalitatief beter was dan [appellante]. Ik zou verrast zijn geweest als [appellante] de baan had gekregen. Ik voeg nog toe dat [de heer DM. ] ook betere kwalificaties had.Daarbij wordt in dit verband nogmaals verwezen naar bovengenoemde e-mail van [de heer M.], die soortgelijke uitlatingen doet. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de UvA voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat slechts vakinhoudelijke redenen aan de afwijzing van [appellante] ten grondslag hebben gelegen en welke dit waren, en dat daarmee het vermoeden dat ten aanzien van [appellante] onderscheid naar geslacht is gemaakt is weerlegd en afdoende is komen vast te staan dat de UvA niet in strijd met de WGBMV heeft gehandeld.