Uitspraak
1.[X] ,
[kind],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de afweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van een journalist en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een minderjarige centraal. De journalist wil een biografie publiceren over een man die na een vechtscheiding zelfmoord pleegde, waarbij hij de volledige naam van deze man wil vermelden.
De ex-echtgenote van de overledene, tevens moeder van de minderjarige dochter die de achternaam van haar vader draagt, vordert een verbod op de openbaarmaking van persoonsgegevens, waaronder de volledige naam van de vader, om herkenning en daarmee inbreuk op de privacy van haar dochter te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft dit verbod reeds toegewezen en het hof bekrachtigt dit oordeel.
Het hof oordeelt dat de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige dochter zwaarder weegt dan de vrijheid van meningsuiting van de journalist, mede omdat de betrokkenen geen publieke figuren zijn en het gebruik van de naam gemakkelijk tot herkenning leidt. Ook het argument dat de naamvermelding de biografie meerwaarde geeft, wordt onvoldoende onderbouwd. Daarnaast wordt het verbod uitgebreid tot het voorkomen van naamgebruik tijdens bijeenkomsten over vechtscheidingen.
De grootouders van de overledene worden niet toegelaten als partij in het hoger beroep wegens gebrek aan concreet belang. De journalist wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt het verbod op openbaarmaking van de volledige naam van de overleden vader om de privacy van de minderjarige dochter te beschermen.