ECLI:NL:GHAMS:2016:3786

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2016
Publicatiedatum
20 september 2016
Zaaknummer
23-000286-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 lid 2 APV 2008 AmsterdamArt. 2 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke hechtenisstraf wegens aanwezigheid op openbare weg met oog op drugshandel

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld tot vier weken hechtenis wegens het zich ophouden op de Nieuwezijds Voorburgwal met het oog op de koop en verkoop van middelen zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Opiumwet.

Het hof achtte bewezen dat verdachte zich op genoemde datum en plaats ophield met het oog op de handel in drugs, maar sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het feit werd bevestigd op grond van artikel 2.7 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam.

Gezien de eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten en de ernst van het feit, maar ook rekening houdend met de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder begeleiding, dagbesteding, huisvesting en een periode van zes maanden abstinentie, legde het hof een geheel voorwaardelijke straf op. De hechtenis van vier weken wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij binnen de proeftijd van één jaar een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd.

Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd bevestigd en de straf werd opgelegd conform de overwegingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenisstraf van vier weken met een proeftijd van één jaar.

Uitspraak

Parketnummer: 23-000286-16
Datum uitspraak: 19 augustus 2016
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/229661-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 juli 2015 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Nieuwezijdws Voorburgwal heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 juli 2015 te Amsterdam zich op de weg, te weten de Nieuwezijds Voorburgwal heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is dat zulks gebeurde om op middelen als bedoeld in artikel 2 van Pro de Opiumwet gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde bij artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van vier weken.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van vier weken, met een proeftijd van één jaar.
De verdachte heeft verklaard dat het goed met hem gaat. Hij wordt begeleid door het Leger des Heils, heeft een dagbesteding, heeft huisvesting en is al zes maanden clean. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dit proces negatief beïnvloeden, aldus de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de overlast en hinder die de handel in verdovende middelen en daarop gelijkende waar op de openbare weg veroorzaakt. Blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juli 2016 is de verdachte al eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zijn levensstijl is verbeterd. Het hof acht het onwenselijk dat deze positieve ontwikkeling wordt doorkruist. Gelet hierop, alsmede het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zal het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke straf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 2.7 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot
hechtenisvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. N.A. Schimmel en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
19 augustus 2016.