Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Noord-Holland van 15 april 2014, waarin verdachte werd veroordeeld voor winkeldiefstal van pakjes kipfilet ter waarde van €3,50 bij een supermarkt in Purmerend.
De verdediging stelde dat verdachte geen diefstalintentie had, maar het hof verwierp dit verweer op basis van verklaringen van de aangever en getuigen die bevestigden dat verdachte de kipfilet in zijn tas stopte zonder af te rekenen. De verklaring van verdachte dat hij geen kipfilet had meegenomen werd als onwaar beoordeeld. Het hof achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden, het ontbreken van een strafblad en het tijdsverloop, legde het hof een geldboete van €150 op, met een subsidiaire hechtenisstraf van drie dagen. Een geheel voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege de ernst van het feit.
De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken op 4 oktober 2016 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.