Uitspraak
het hof begrijpt, gehoord ook de raadsman van verzoeker, verzoeker en de advocaat-generaal:het verzoek tot schorsingvan de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om het hoger beroep tegen een beslissing van de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam inzake de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon. De verdediging verzocht om schorsing van de overleveringsdetentie op grond van artikel 22, vierde lid, van de Overleveringswet (OLW), dat bepaalt dat de detentie geschorst moet worden indien niet binnen 90 dagen een beslissing wordt genomen.
Het hof overwoog dat de termijn van 90 dagen geschorst wordt vanaf het moment dat prejudiciële vragen worden gesteld tot aan de beantwoording daarvan door het Hof van Justitie van de Europese Unie. In deze zaak waren prejudiciële vragen gesteld door een Duitse rechter, die op 5 april 2016 beantwoord werden. De termijn van 90 dagen ging dus pas vanaf die datum lopen.
Omdat op het moment van het verzoek tot schorsing en de beschikking daarvan nog geen 90 dagen waren verstreken sinds 5 april 2016, was er geen sprake van onrechtmatige detentie. Het hof oordeelde dat er geen strijd was met artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU of artikel 5 EVRM Pro. Wel werd opgemerkt dat de procedure sneller had kunnen verlopen, aangezien nadere vragen pas op 2 juni 2016 werden gesteld.
Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt afgewezen omdat de beslistermijn van 90 dagen geschorst was door prejudiciële vragen.