ECLI:NL:GHAMS:2016:1838
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing over schorsing overleveringsdetentie bij prejudiciële vragen EU-recht
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon had afgewezen.
De zaak betrof de toepassing van artikel 22, vierde lid, van de Overleveringswet in samenhang met het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het hof constateerde een discrepantie tussen nationale wetgeving en EU-recht, doordat de nationale wet geen voorziening kent voor het opschorten van de beslistermijn bij het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het hof oordeelde dat de schorsingstermijn van 90 dagen voor overleveringsdetentie moet worden opgeschort vanaf het moment dat prejudiciële vragen zijn gesteld of moeten worden afgewacht, zolang de voortzetting van de detentie niet in strijd is met het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee de beslissing van de rechtbank werd bekrachtigd, doch met een aangepaste grondslag die de prioriteit van EU-recht en prejudiciële procedures benadrukt.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bepaalt dat de schorsingstermijn van overleveringsdetentie wordt opgeschort vanaf het moment van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.