Uitspraak
1.Inhoud van het verzoek
€ 14.080,00
Gerechtshof Amsterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens het ondergaan van voorlopige hechtenis in een strafzaak waarin hij werd verdacht van overtreding van artikelen 310 jo. 311 Sr. De voorlopige hechtenis duurde van 20 februari 2013 tot 5 juni 2013, met een schorsing en een hernieuwde periode tot 20 april 2014. De strafzaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en is onherroepelijk gesloten.
Het hof heeft het verzoekschrift behandeld en daarbij de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker gehoord. De advocaat voerde aan dat het beroep op het zwijgrecht door verzoeker en een medeverdachte niet tegen hen kon worden gebruikt en dat verzoeker na het eerste verhoor wel verklaringen had afgelegd, wat toekenning van schadevergoeding rechtvaardigt. De advocaat-generaal adviseerde afwijzing.
Het hof heeft geoordeeld dat het toekennen van schadevergoeding afhankelijk is van het billijkheidsoordeel, waarbij wordt gekeken of de nadelige gevolgen van de voorlopige hechtenis niet redelijkerwijs voor rekening van de verdachte kunnen komen. Gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat verzoeker zich regelmatig op zijn zwijgrecht heeft beroepen en het politieonderzoek daardoor werd belemmerd, zijn er geen gronden van billijkheid die schadevergoeding rechtvaardigen.
Daarom wijst het hof het verzoek om schadevergoeding af. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 17 februari 2016.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis af wegens het ontbreken van gronden van billijkheid.