ECLI:NL:GHAMS:2016:5161
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- S.F. Schütz
- W.H.F.M. Cortenraad
- G.C. Boot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opheffing executoriale beslagen na echtscheiding en verdeling gemeenschap van goederen
In deze zaak stond centraal of executoriale beslagen die appellant had gelegd op banktegoeden van geïntimeerde, ex-echtgenote van A, terecht waren opgeheven. De beslagen waren gelegd ter verhaal van een geldlening die A niet had terugbetaald aan appellant.
De echtscheiding tussen geïntimeerde en A was uitgesproken in november 2013, waarbij de gemeenschap van goederen van rechtswege was ontbonden. Volgens artikel 1:102 BW Pro kan verhaal van schulden van de ex-echtgenoot alleen plaatsvinden op hetgeen de ex-echtgenote uit de verdeling van de gemeenschap heeft verkregen.
Het hof oordeelde dat onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden dat de beslagen bankrekeningen tegoeden bevatten die uit de ontbonden gemeenschap afkomstig waren. Zo was een rekening mede op naam van de vader van geïntimeerde en werd daar een AOW-uitkering op gestort, terwijl geïntimeerde zelf nog niet voor AOW in aanmerking kwam. Ook op de andere rekening ontbraken aanwijzingen dat deze tegoeden uit de gemeenschap voortkwamen.
Het hof verwierp het betoog van appellant dat de gemeenschap niet was ontbonden of dat sprake was van misbruik van bevoegdheid door geïntimeerde. De opheffing van de beslagen door de voorzieningenrechter werd daarom bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opheffing van de executoriale beslagen op bankrekeningen van geïntimeerde.