ECLI:NL:GHAMS:2016:52

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 januari 2016
Publicatiedatum
14 januari 2016
Zaaknummer
200.161.351/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:274 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op dringend eigen gebruik voor huurwoning souterrain en begane grond

De eigenaar van een pand, die de eerste verdieping bewoont, vorderde in hoger beroep beëindiging van de huurovereenkomst van de huurder van het souterrain en de begane grond wegens dringend eigen gebruik. De kantonrechter wees deze vordering af omdat de eigenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de woning dringend zelf nodig had.

In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing. Het hof overwoog dat het aan de eigenaar is om de noodzaak tot dringend eigen gebruik aannemelijk te maken, wat niet was gelukt. Hoewel een traplift mogelijk is om de eerste verdieping te bereiken, vond de eigenaar dit geen aantrekkelijke oplossing, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. Ook bleek dat bij bewoning van de begane grond en het souterrain nog steeds trappen genomen moeten worden.

Voorts was onvoldoende vastgesteld dat de eigenaar op korte termijn inwonende zorg nodig heeft waarvoor woonruimte beschikbaar moet zijn. De eigenaar doet nog zelf boodschappen en kookt. Het hof vond daarom de dringendheid onvoldoende en hoefde geen belangenafweging te maken. De grieven van de eigenaar faalden en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd. De eigenaar werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep op dringend eigen gebruik wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.161.351/01
kenmerk rechtbank Amsterdam: cv 14-10053
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 januari 2016
(bij vervroeging)
inzake:
[appellant] ,wonend te [woonplaats] ,
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.P.H. van Wezel te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. L. Hellinga te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 10 december 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter) van
18 september 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser in conventie/verweerder in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met een productie;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 december 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging en in - naar het hof begrijpt: voorwaardelijk - incidenteel appel tot toewijzing van haar vorderingen als in die memorie vermeld, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
[appellant] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing, met beslissing over de proceskosten.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.3 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3.Beoordeling

3.1
Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.1
[appellant] is sinds 2002 eigenaar van het pand aan de [adres] . Hij bewoont zelf sinds 2002 de eerste verdieping van het pand. Zijn dochter bewoont de tweede verdieping.
3.1.2
[geïntimeerde] huurt sinds 44 jaar van (de rechtsvoorganger van) [appellant] de woning op de begane grond en het souterrain van het pand tegen een huurprijs die op
3 april 2014 € 586,74 bedroeg. De woning heeft een oppervlakte van in totaal 180 m2.
3.1.3
Bij brief van 28 november 2013 aan [geïntimeerde] heeft [appellant] via zijn gemachtigde de huurovereenkomst opgezegd wegens dringend eigen gebruik.
3.1.4
Bij brief van 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] bericht dat [geïntimeerde] met de opzegging niet akkoord gaat.
3.2
[appellant] heeft, met een beroep op dringend eigen gebruik, in eerste aanleg in conventie gevorderd vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen en [geïntimeerde] de woning ontruimd zal moeten hebben. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld voor het geval de vordering van [appellant] zal worden toegewezen.
3.3
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft hij, samengevat, overwogen dat [appellant] er niet in is geslaagd om de noodzaak tot dringend eigen gebruik van de door [geïntimeerde] bewoonde woning aan te tonen. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat het beter is dat hij zo min mogelijk traploopt, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een traplift geen realistische oplossing voor dat probleem is. Bovendien heeft hij niet ontkend dat ook in de woning van [geïntimeerde] trappen moeten worden genomen. Voorts blijkt onvoldoende dat [appellant] op enigszins afzienbare tijd constante zorg van een verpleegster nodig heeft, aldus de kantonrechter.
3.4
Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, komt [appellant] in principaal appel met zes grieven op. Met uitzondering van
grief I, waarin [appellant] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat [appellant] het dringend eigen gebruik moet
aantonen, lenen de grieven zich voor gezamenlijke behandeling. Ter toelichting op de grieven voert [appellant] aan dat hij zo weinig mogelijk moet traplopen, hetgeen hij heeft onderbouwd met een verklaring van een cardioloog en zijn huisarts. Van hem kan dan ook niet worden verlangd dat hij zijn verblijf in de bovenwoning voortzet, terwijl er een alternatief voorhanden is – de woning op de begane grond en het souterrain – dat vele malen aantrekkelijker is. Een traplift, hoewel theoretisch mogelijk, vindt hij geen aantrekkelijke mogelijkheid. Om de woning op de begane grond te bereiken behoeft hij slechts enkele treden op die hij ook moet nemen om de lange, steile trap naar de eerste verdieping te bereiken, waarbij de toegang naar de begane grond in de nabije toekomst met een helling gerealiseerd zou kunnen worden. Het souterrain kan hij rechtstreeks vanaf de buitenzijde in. Beide verdiepingen zijn voor hem (veel) beter bereikbaar dan de woning op de eerste etage, aldus [appellant] . Hoewel hij zich realiseert dat er op dit moment geen dringende noodzaak bestaat om op de eerste etage een verpleegster te huisvesten, wil hij deze etage daarvoor graag beschikbaar houden. Ten slotte betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte geen belangenafweging heeft uitgevoerd.
3.4.1
Het hof stelt voorop dat het aan [appellant] is de noodzaak tot dringend eigen gebruik van de door [geïntimeerde] bewoonde woning aannemelijk te maken (7:274 lid 1 sub c BW) en niet, zoals de kantonrechter heeft overwogen, “aan te tonen”. De daartegen gerichte grief I, hoewel gegrond, kan echter op zichzelf niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden omdat uit het navolgende zal blijken dat het hof van oordeel is dat [appellant] het gestelde dringend eigen gebruik niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.4.2
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] in hoger beroep, evenmin als in eerste aanleg, aannemelijk gemaakt dat er voor hem een dringende noodzaak is om de door [geïntimeerde] gehuurde woning zelf in gebruik te nemen. Naar [appellant] erkent, is het bereiken van de eerste verdieping door het aanbrengen van een traplift immers op zich zelf mogelijk, hetgeen hij desgevraagd ter zitting heeft bevestigd. Dat [appellant] een traplift geen aantrekkelijke mogelijkheid vindt, brengt het hof niet tot een ander oordeel, nu [appellant] niet nader heeft toegelicht waarom dat zo is. Daarbij komt dat [appellant] desgevraagd ter zitting heeft verklaard geen ervaring met trapliften te hebben. Bovendien is gebleken dat ook bij bewoning van de begane grond en souterrain nog steeds trappen moeten worden genomen. Ook is onvoldoende komen vast te staan dat [appellant] op dit moment dan wel op enigszins afzienbare termijn inwonende zorg behoeft, waarvoor woonruimte in het pand beschikbaar dient te zijn. In dat verband is van belang dat [appellant] ter zitting heeft verklaard nog zelf boodschappen te doen en te koken. Hoewel het hof er begrip voor heeft dat [appellant] de situatie voor wil zijn dat hij wel inwonende zorg nodig heeft, acht het hof bij die stand van zaken de dringendheid aan de zijde van [appellant] onvoldoende om diens vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toe te wijzen.
Aangezien [appellant] de noodzaak tot dringend eigen gebruik van de woning van [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt, komt het hof, in navolging van de kantonrechter, aan een belangenafweging niet toe. De grieven II tot en met V falen.
3.4.3
Grief VI, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, deelt het lot van de voorgaande grieven en faalt dus eveneens.
3.5
De conclusie is dat de grieven geen succes hebben en het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Het bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd omdat dit niet is gebaseerd op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.6
De door [geïntimeerde] in voorwaardelijk incidenteel appel ingestelde vordering behoeft geen bespreking, omdat de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld, niet is vervuld. Bij die stand van zaken zal het hof in voorwaardelijk incidenteel appel geen kostenveroordeling uitspreken.

4.Beslissing

Het hof:
in principaal appel:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 308,-- aan verschotten en € 2.682,-- voor salaris;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in voorwaardelijk incidenteel appel:
verstaat dat de voorwaarde waaronder deze vordering van [geïntimeerde] is ingesteld, niet is vervuld.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, R.J.M. Smit en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2016.