Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van cocaïne. De verdachte verklaarde dat hij op verzoek van zijn neef een zak met etenswaren, waaronder zuurkool, in zijn koffer had gedaan om deze af te geven aan een vriendin van zijn neef in Nederland. In werkelijkheid werd in deze etenswaren cocaïne aangetroffen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had op de invoer van de cocaïne en pleitte vrijspraak. Het hof verwierp dit verweer en stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn koffer cocaïne bevatte, mede gelet op eerdere veroordelingen wegens drugssmokkel.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en verving alleen de bewijsoverweging. De straf werd gehandhaafd, waarbij het hof concludeerde dat sprake was van voorwaardelijk opzet bij het invoeren van de cocaïne in Nederland.