Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
- i) Op 5 september 2008 is [appellant] door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. Vervolgens heeft hij geruime tijd in voorarrest gezeten.
- ii) Kort na diens aanhouding heeft [appellant] zich tot mr. [Y] (hierna: mr. [Y] ) - die destijds deel uitmaakte van de maatschap - gewend voor rechtsbijstand. Daartoe heeft [appellant] op 17 september 2008 een bedrag betaald van € 15.000,= en een bedrag van € 10.500,=. Voor beide contante betalingen zijn op 18 september 2008 kwitanties afgegeven.
- iii) De kwitantie voor de betaling van eerstgenoemd bedrag kent de vermelding ‘ [appellant] /OM’ en het nummer [nummer 1] ; de kwitantie voor het tweede bedrag kent de vermelding ‘ [appellant] /Advies’ en het nummer [nummer 2] , terwijl daarop tevens is aangegeven dat het gaat om € 10.000,- honorarium en € 500,- zakgeld.
- iv) Op 12 september 2011 heeft mr. [Y] - na aandringen door de deken van de Orde van Advocaten - een declaratie aan [appellant] gezonden voor een totaalbedrag van € 40.153,50 voor gewerkte uren in de strafzaak. De specificatie van deze uren is opgemaakt onder code [code] : [appellant] /OM.
- v) Bij brief van 29 september 2014 heeft de advocaat van [appellant] de maatschap verzocht om terugbetaling van het bedrag van € 10.500,-. De maatschap is niet tot betaling overgegaan.