Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
onverplichtis aangegaan
naaanvang van de huurovereenkomst.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. De huurster had financiële problemen en partijen sloten een overeenkomst tot beëindiging van de huur per 31 december 2016, met een huurverlaging en mogelijkheid tot tussentijdse opzegging. De huurster stelde dat deze overeenkomst een nieuwe huurovereenkomst was, zonder vereiste toestemming kantonrechter, en dat zij dus beschermd bleef door dwingendrechtelijke huurbescherming.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de verhuurder af omdat niet uitgesloten was dat de overeenkomst als nieuwe huurovereenkomst zou worden gezien. Het hof kwam echter tot een ander oordeel. Het stelde vast dat de overeenkomst van 19 december 2014 een beëindigingsovereenkomst was zoals bedoeld in artikel 7:293 lid 3 BW Pro, omdat deze onverplicht na aanvang van de oorspronkelijke huur was gesloten en niet de huurbescherming doorbrak.
Het hof vond dat de aanvullende afspraken over huurverlaging en tussentijdse opzegging niet leidden tot een nieuwe huurovereenkomst. De belangen van de huurster stonden niet in de weg aan ontruiming. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de huurster tot ontruiming van de bedrijfsruimte uiterlijk 31 januari 2017, betaling van huur vanaf 1 januari 2017, en gedogen van een te huur bord, met dwangsommen bij niet-naleving.
Uitkomst: De huurster is veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte uiterlijk 31 januari 2017 en betaling van huur vanaf 1 januari 2017.