ECLI:NL:GHAMS:2016:5531

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 augustus 2016
Publicatiedatum
23 december 2016
Zaaknummer
23-002553-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 lid 2 Algemene Plaatselijke Verordening 2008 gemeente AmsterdamArt. 2 OpiumwetArt. 344a Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor drugsaanbod op Oudezijds Achterburgwal

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter vernietigd en verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van het zich ophouden op de Oudezijds Achterburgwal met het oog op het kopen of verkopen van drugs of daaraan gelijkende middelen.

De tenlastelegging betrof een overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam. De verdachte ontkende de tenlastelegging en er werden geen drugs of nepmiddelen bij hem aangetroffen.

Het bewijs bestond onder meer uit verklaringen van anonieme getuigen die hadden verklaard dat verdachte drugs aan hen wilde verkopen. Het hof oordeelde dat deze anonieme getuigenverklaringen niet als wettig bewijs konden dienen, omdat de identiteit van de getuigen niet bekend was en de verbalisanten zelf niet hadden gehoord dat verdachte drugs aanbood, maar slechts hadden gezien dat hij voorbijgangers aansprak.

Gezien het ontbreken van voldoende concreet en specifiek bewijs en het niet toelaatbaar achten van anonieme getuigenverklaringen, sprak het hof de verdachte vrij. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door de verdachte vrij te spreken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

parketnummer: 23-002553-15
datum uitspraak: 11 augustus 2016
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-034935-14 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1988,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 oktober 2013 te Amsterdam zich tezamen met een ander en/of anderen, althans alleen op en/of aan de weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 325, subsidiair 6 dagen hechtenis.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Op de voet van het eerste lid van artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt.
Volgens het derde lid van artikel 344a Sv mag een dergelijke anonieme getuigenverklaring niet voor het bewijs worden gebruikt, tenzij:
- de bewijsbeslissing in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en
- de verdediging niet op enig moment te kennen heeft gegeven de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen.
Het bovenstaande geldt eveneens in de situatie dat verklaringen van anonieme getuigen zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.
In de onderhavige zaak hebben anoniem gebleven voorbijgangers tegenover de verbalisanten verklaard dat de verdachte drugs aan hen wilde verkopen. De verbalisanten hebben niet gehoord dat de verdachte drugs te koop aanbood. Zij hebben slechts gezien dat de verdachte voorbijgangers aansprak, maar niet gehoord wat hij zei.
De verdachte heeft ontkend het tenlastegelegde feit te hebben gepleegd. Bij de verdachte zijn geen (nep)drugs aangetroffen.
De eigen waarnemingen van de verbalisanten zijn onvoldoende concreet en specifiek om reeds daaruit de conclusie te trekken dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde gedragingen heeft verricht.
De verklaringen van de anonieme getuigen kunnen gelet op het hiervoor overwogene niet voor het bewijs worden gebruikt. Ook overigens bevindt zich in het dossier onvoldoende wettig bewijs voor het ten laste gelegde. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en
spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.D.L. Nuis en mr. C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van J.M. van Riel en mr. N. van Dijk, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2016.
mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.M. Degenaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.