Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal van een lokfiets en het bezit van een katapult. De feiten speelden zich af op 1 augustus 2016 te Amsterdam.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een fiets van de politie heeft weggenomen door middel van verbreking en dat hij een katapult als verboden wapen in bezit had. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard.
De verdediging voerde onder meer aan dat de inzet van de lokfiets niet duidelijk was en dat dit een strafverminderende omstandigheid zou kunnen zijn. Dit werd door het hof verworpen. Ook het feit dat verdachte kort voor het bewezen feit al een taakstraf had gekregen voor een soortgelijk feit, speelde mee in de strafbepaling.
Het hof bevestigde de straf van twee weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. De straf werd passend geacht gezien de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.