Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor gekwalificeerde mishandeling en wederspannigheid. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten, maar vernietigde de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij voor zover deze niet door de rechtbank was toegewezen.
Het hof voegde aanvullend bewijs toe, waaronder de verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van de verbalisanten, en oordeelde dat het gebruik van geweld door de politie bij de aanhouding rechtmatig was en niet in strijd met de Ambtsinstructie. Het verweer van vormverzuim werd verworpen omdat het niet beschermen van het belang van de verdachte centraal staat in de Ambtsinstructie.
De verdachte verzette zich tegen zijn aanhouding en veroorzaakte letsel bij een politieagent. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen en het feit dat de verdachte zich na het vonnis in eerste aanleg had gemeld bij de reclassering en hulp had gezocht. De opgelegde straffen werden aangepast: een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, een taakstraf van vijftig uren en een geldboete, met een proeftijd van twee jaar.
De vordering van de benadeelde partij werd deels toegewezen tot een bedrag van €100 voor immateriële schade. Het hof wees het overige deel van de vordering af en bepaalde dat dit bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend. Het arrest werd uitgesproken op 24 februari 2016 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.