De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging van winkeldiefstal in vereniging, gepleegd op 20 maart 2016 bij het filiaal Sijsjesbergweg van een winkelbedrijf. De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat de aangetroffen goederen uit de winkel afkomstig waren en dat er geen sprake was van medeplegen. Het hof verwierp deze verweren op basis van camerabeelden, voorraadvergelijkingen en verklaringen.
Uit het bewijs bleek dat verdachte samen met een medeverdachte de winkel betrad, goederen uit de schappen nam en deze in geprepareerde tassen meenam. De combinatie van de aangetroffen goederen in de auto van verdachte en de tijdstippen van de diefstal maakten aannemelijk dat de goederen uit de winkel kwamen. De wisselende verklaringen van verdachte werden als ongeloofwaardig beoordeeld.
Het hof achtte bewezen dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de goederen heeft weggenomen in vereniging met een ander. Gelet op eerdere veroordelingen en de ernst van het feit werd een gevangenisstraf van drie weken opgelegd, met aftrek van voorarrest. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.