Belanghebbende, een douane-expediteur, kreeg uitnodigingen tot betaling (UTB's) voor een totaalbedrag van €1.696.303,17 aan antidumpingrechten op glyfosaat met Chinese oorsprong. Na afwijzing van bezwaren en verzoeken om kwijtschelding door de minister, verklaarde de rechtbank deze beroepen ongegrond. Het hoger beroep bij het Hof betrof onder meer de vraag of het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging was geschonden en of de minister op grond van artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (CDW) moest afzien van navordering.
Het Hof oordeelde dat de Leidraad Invordering 1990 voldoende waarborg bood voor opschorting van de uitvoering van de UTB's en dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging niet was geschonden. Verder bevestigde het Hof dat belanghebbende klaarblijkelijke nalatigheid kon worden verweten, zoals vastgesteld door de Europese Commissie en het Gerecht van de Europese Unie, waardoor de minister niet verplicht was af te zien van navordering.
De feiten betroffen onder meer dat glyfosaat werd ingevoerd met onjuiste oorsprongsverklaringen, waarbij goederen feitelijk uit China afkomstig waren maar als afkomstig uit Taiwan werden opgegeven. OLAF-onderzoek wees op een 'triangle trade' waarbij Chinese goederen via Taiwan werden verscheept om de ware oorsprong te verbergen. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de hoger beroepen af. Er werd geen kostenveroordeling opgelegd.