Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak is in hoger beroep de berisping van twee gerechtsdeurwaarders bevestigd wegens het onjuist toepassen van de beslagvrije voet bij derdenbeslag op een WAO-uitkering. De gerechtsdeurwaarders hadden bij beslaglegging geen rekening gehouden met de voor klager geldende beslagvrije voet en deze onterecht op nihil gesteld.
Ondanks dat klager en zijn schuldhulpverlener meerdere malen aanvullende informatie en bewijsstukken aanleverden waaruit bleek dat klager recht had op een beslagvrije voet, weigerden de gerechtsdeurwaarders deze aan te passen. Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarders ten onrechte artikel 475e Rv toepasten, omdat niet vaststond dat klager niet in Nederland verbleef.
Het hof benadrukte het belang van een zorgvuldige vaststelling en aanpassing van de beslagvrije voet, vooral wanneer deze op nihil is gesteld, vanwege de ingrijpende gevolgen voor de debiteur. De nalatigheid van de gerechtsdeurwaarders werd als tuchtrechtelijk verwijtbaar aangemerkt en leidde tot bevestiging van de berisping.
Uitkomst: Het hof bevestigt de berisping van de gerechtsdeurwaarders wegens onjuiste toepassing en nalatigheid bij de beslagvrije voet.