ECLI:NL:GHAMS:2016:913

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2016
Publicatiedatum
15 maart 2016
Zaaknummer
14/00619
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 8:118 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ingetrokken en proceskostenvergoeding toegekend in WOZ-zaak

De heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €85.000 voor het jaar 2013. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar deze waarde. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde, de waarde verlaagde naar €60.000 en de heffingsambtenaar veroordeelde tot vergoeding van proceskosten.

De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting op 2 maart 2016 trok de heffingsambtenaar het hoger beroep in. Belanghebbende verzocht vervolgens om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:118, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het Gerechtshof Amsterdam kende belanghebbende een proceskostenvergoeding toe van €992 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het hof op 10 maart 2016. Tegen deze uitspraak staat cassatie bij de Hoge Raad open.

Uitkomst: Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is ingetrokken en belanghebbende krijgt een proceskostenvergoeding van €992 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00619
10 maart 2016
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het op de voet van artikel 8:118, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht gedane verzoek van
[X]te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: G. Gieben (Previcus Vastgoed te Beugen)
tot een veroordeling van
de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer,de heffingsambtenaar,
in de proceskosten ter zake van het door de heffingsambtenaar ingestelde en op 2 maart 2016 ingetrokken hoger beroep
tegen
de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 14/125 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) bij beschikking met dagtekening 28 februari 2013 de waarde per de waardepeildatum 1 januari 2012 van de onroerende zaak [A-straat] te [Z] voor het jaar 2013 vastgesteld op € 85.000.
1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 21 november 2013, de beschikking gehandhaafd.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 4 juli 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde verminderd tot € 60.000, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.217 en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.
1.4.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep van de heffingsambtenaar is bij het Hof ingekomen op 13 augustus 2014. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Overwegingen

2.1.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar, het Hof gehoord hebbende, zijn hoger beroep ingetrokken.
2.2.
Belanghebbende heeft hierop ter zitting een verzoek gedaan ex artikel 8:118, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.
2.3.
Het Hof kent aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe conform het Besluit proceskosten bestuursrecht van (2 (indienen verweerschrift en verschijnen ter zitting) x € 496 x 1=) € 992.

3.Beslissing

Het Hof veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 992.
De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, en E.A.G. van der Ouderaa en J.A. van Horzen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S.H. Lange als griffier.
De beslissing is op 10 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.