Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
aan mijn genoemde echtgenote alle tot mijn nalatenschap behorende baten, zulks onder de verplichting:
aan ieder van mijn overige erfgenamen een vordering in contanten ten laste van mijn genoemde echtgenote wegens de aan haar gedane overbedeling, als hiervoor sub 1b omschreven.
In verband met mijn voormelde verzorgingsplicht zullen de aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen ten laste van mijn genoemde echtgenote, evenals de daarover verschuldigde rente van vijf procent per jaar, eerst opeisbaar zijn bij het overlijden van mijn echtgenote, alsmede bij haar eventueel hertrouwen, haar faillissement, haar aanvraag van surseance van betaling, of indien zij onder curatele zou worden gesteld. (…)”