ECLI:NL:GHAMS:2017:1257
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie met inachtneming van netto kinderopvangkosten en woonlasten
Partijen hadden een affectieve relatie waaruit in 2012 een minderjarige is geboren, die sinds het uiteengaan bij de vrouw verblijft. De man erkende het kind en partijen oefenden gezamenlijk gezag uit. De man werkte in 2015 in loondienst en had wisselende inkomens in 2016. De vrouw volgde een opleiding en werkte daarnaast in loondienst.
De rechtbank had de man verplicht een bijdrage van €356 per maand te betalen, inclusief een verhoging voor kinderopvangkosten. De man betwistte de hoogte van zijn netto besteedbaar inkomen en de toevoeging van kinderopvangkosten, terwijl de vrouw deze berekeningen onderbouwde. Het hof volgde de berekening van de vrouw voor het netto besteedbaar inkomen van de man en erkende de noodzaak van kinderopvangkosten van €85 per maand.
De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op €70 per maand en die van de man op €287 per maand. De totale behoefte van het kind werd berekend op €429 per maand. Na toepassing van een zorgkorting en verdeling van het tekort kwam de bijdrage van de man op €271 per maand. De man voerde aan dat zijn werkelijke woonlasten hoger waren dan forfaitair en dat hij een lening aflost, wat tot een onaanvaardbare financiële situatie zou leiden. Het hof hield rekening met de werkelijke woonlasten, maar stelde het aandeel van de nieuwe partner van de man in de woonlasten op 50%. Omdat de forfaitaire woonlasten gelijk waren aan de werkelijke lasten, faalde het beroep op de aanvaardbaarheidstoets.
Het hof vernietigde het bestreden besluit voor zover het de bijdrage betrof en bepaalde de bijdrage op €271 per maand met ingang van 18 november 2015, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man moet vanaf 18 november 2015 een bijdrage van €271 per maand betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind.