ECLI:NL:GHAMS:2017:220
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen schorsing overleveringsdetentie wegens onvoldoende informatie over detentieomstandigheden Roemenië
In deze zaak betreft het een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon die verdacht wordt van witwassen en oplichting in Roemenië. De rechtbank Amsterdam had eerder de beslissing over overlevering uitgesteld en het onderzoek geschorst vanwege onvoldoende gegevens over de detentieomstandigheden in Roemenië, waarbij het risico op onmenselijke of vernederende behandeling werd onderzocht.
De rechtbank had de beslistermijn van 90 dagen geschorst zolang aanvullende vragen aan de Roemeense autoriteiten werden gesteld en beantwoord moesten worden. De opgeëiste persoon verzocht daarop om schorsing van de overleveringsdetentie, stellende dat de termijn was verstreken. Dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen, waarna hoger beroep werd ingesteld.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de termijn van 90 dagen geschorst moet worden zolang aanvullende informatie wordt ingewonnen, mede gelet op het belang van het stellen van prejudiciële vragen en het voorkomen van strijd met het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het hof acht het vluchtgevaar evident en ziet geen strijd met artikel 6 van Pro het Handvest. Het beroep wordt afgewezen, maar het hof signaleert dat de voortgang van de procedure nauwlettend in de gaten moet worden gehouden om buitensporige detentie te voorkomen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de schorsing van de overleveringsdetentie wordt afgewezen.