Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
2.[appellante sub 2] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.[appellant sub 1] ,
2.[appellante sub 2] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
aannemen als gerechtigdevan een geheel andere erfdienstbaarheid te gaan. Ook de uitlating van [appellant sub 1] op de comparitie in eerste aanleg in de zaak met nummer 173253 HA ZA 10-1241 over een volmacht voor een erfdienstbaarheid lijkt op die andere erfdienstbaarheid betrekking te hebben. Uit het verslag van een bespreking met de gemeente op 30 oktober 2001, waarbij van de zijde van de familie [familienaam] ook [appellant sub 1] aanwezig was, kan weliswaar worden afgeleid dat het toen - nog vóór de oprichting van [X] Vastgoed BV - de aanwezigen ervan uitgingen dat de percelen na de voltooiing van het project Molenstaete zouden worden ontsloten voor een trekker met aangekoppelde machine via [adres 5] , maar een harde toezegging van of afspraak met [appellant sub 1] om aan die wijze van ontsluiting mee te werken, kan daaruit niet worden afgeleid. Een en ander brengt mee dat niet kan worden gezegd dat het aangevochten oordeel in het tussenarrest op een misslag berust. Tot nader feitelijk onderzoek op dit punt acht het hof zich in dit stadium van het geding niet gehouden. Het hof blijft derhalve bij zijn eerdere oordeel. De eisvermeerdering zoals hiervoor omschreven acht het hof tardief en in strijd met een goede procesorde, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan, waardoor het hof niet toekomt aan de vraag of [appellanten] onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog hun medewerking aan de ontsluiting konden weigeren.