Uitspraak
mr. J.E. van Rossemte Amsterdam,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Artikel 5
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2009 gehuwd en in 2013 gescheiden met een convenant waarin afspraken zijn gemaakt over de woning en hypotheeklasten. De woning bleef onverdeeld tot uiterlijk 9 september 2016, tenzij de man deze eerder kon overnemen. De man kon de hypotheekschuld niet volledig overnemen en had de woning verhuurd.
De vrouw vorderde machtiging tot verkoop van de woning en betaling van hypotheekrente. De voorzieningenrechter gaf haar die machtiging en veroordeelde de man tot tijdige betaling van de hypotheekrente. De man ging in hoger beroep en voerde meerdere grieven aan, waaronder dat de vrouw het convenant niet meer kon inroepen, dat er geen gewichtige reden was voor verkoop, en dat een minimum verkoopprijs ontbrak.
Het hof oordeelde dat de vrouw niet hoefde te dulden dat de woning onverdeeld bleef na de afgesproken datum, mede omdat de man de verkoopopdracht had ingetrokken en geen concrete aanwijzingen gaf dat hij de woning alsnog zou kunnen overnemen. De man betaalde de hypotheekrente telkens te laat, waardoor de vrouw risico liep ten aanzien van de hypotheekschuld. Het hof vond de machtiging tot verkoop en de dwangsom voor tijdige betaling terecht en wees de grieven af. Het vonnis werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw machtigt tot verkoop van de woning en veroordeelt de man tot tijdige betaling van de hypotheekrente met dwangsom.