Uitspraak
[adres detentie] .
1.Inleiding
- de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen;
- de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen;
- de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod;
- de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken;
- de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen;
- de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan;
- tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en
- de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf.
De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.”En hij treedt niet in de beoordeling of
“het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. [2] Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard.
“Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie).
2.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt verdediging
kroongetuige [Peter la S.]is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
Beoordeling door het hof
Inleiding
De toepasselijke regelgeving
Wet toezeggingen aan getuigen in strafzakenopgenomen. In afdeling 4b van die titel van dat boek is die regeling toegespitst op toezeggingen aan de getuige die tevens verdachte is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.
Besluit getuigenbeschermingvastgesteld.
Instructie getuigenbeschermingvermelding.
Getuigenbescherming
De uitleg van de regeling
Ongeoorloofde toezeggingen?
Het verweer
De verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel
Het gevoerde verweer
Bespreking van het verweer
Het toetsingskader
De feitelijke gang van zaken
- een verklaring van de getuige [slachtoffer 15] dat [Cobra-betrokkene-1] hem heeft verteld dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] de daders zijn;
- een verklaring van de getuige [getuige 31] dat de getuige [getuige 32] haar heeft verteld dat een Marokkaantje hem op Ibiza heeft verteld dat [slachtoffer 3] door dat Marokkaantje zou worden omgelegd vanwege een conflict met een meisje dat in Amsterdam “achter de ramen” zat, alsmede een verklaring van [getuige 32] dat hij [Mohamed R.] kent en hem op Ibiza heeft ontmoet;
- een verklaring van de getuige [getuige 20] dat hij heeft gehoord dat Pinny [hof: [Pinny S.] ] “
- bevindingen betreffende de printgegevens van het aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toegeschreven mobiele telefoontoestel -1810 waaruit blijkt van betekenisvolle contacten tussen deze -1810 en telefoonnummers in gebruik bij [Pinny S.] althans haar familieleden.
De waardering door het hof
“uit de analyse van de printgegevensin 2008[onderstreping hof] ”is gebleken van een relevant contactmoment tussen de aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toegeschreven telefoon -1810 en het adres van de moeder van [Pinny S.] . Uit deze formulering leidt het hof af dat deze verkeersgegevens in de jaren ’90 niet uitputtend zijn onderzocht. Dat blijkt ook uit het volgende. Nadat in 2008 een nieuw gerechtelijk vooronderzoek werd ingesteld, doch voordat [Mohamed R.] in 2009 ter zake de moord op [slachtoffer 3] werd gedagvaard, is de verdenking dat [Mohamed R.] betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer 3] bovendien versterkt door een uitgebreide analyse van de verkeersgegevens in de zaaksdossiers Opa, Tanta en Cobra. Uit het betreffende proces-verbaal blijkt van een voor die zaaksdossiers betekenisvolle samenhang tussen de verkeersgegevens van diverse aan [Mohamed R.] , [Jesse R.] , [N.P. de B.] , [Freek S.] en [Pinny S.] toe te schrijven telefoon- en semafoonnummers. Het hof verwijst naar hetgeen in de bewijsoverwegingen is overwogen ten aanzien van deze samenhang. Nu de hieraan ten grondslag gelegde gegevens niet eerder op een dergelijke veelomvattende wijze zijn onderzocht, kan ook dit proces-verbaal als nieuw bezwaar worden aangemerkt.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van [Mohamed R.] ter zake de moord op [slachtoffer 3] , omdat [Mohamed R.] in 2008 ten onrechte opnieuw in rechten is betrokken, nadat hem in de jaren ’90 een kennisgeving van niet-verdere vervolging was betekend.
3.Het bewijs
need to knowen
nice to know. Daarmee wordt onmiskenbaar ook en vooral het door opdrachtgevers nagestreefde belang om ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie gediend. Zo bezien is het even voorstelbaar als voorspelbaar dat de inhoud van de verklaringen van de naar justitie overgelopen tussenpersoon in de hiervoor bedoelde zin gemankeerd zal zijn. Deze vaststelling strekt er niet toe dat het hof in de onderhavige zaak de bewijsdrempel verlaagt. Wel markeert het hof hiermee dat met betrekking tot de gepleegde moorden niet alle vragen naar context, achtergrond en motieven steeds voor bevredigende en ondubbelzinnige beantwoording gereed zullen liggen. En als die antwoorden uitblijven is daarmee de (intrinsieke) onbetrouwbaarheid van hetgeen is verklaard nog niet gegeven. Wel kan in die omstandigheid een relevante bevestiging worden gevonden van de juistheid van het hiervoor geschetste beeld.
‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’zoals die destijds gold. Dit verzuim is naar zijn aard onherstelbaar. Daarmee is een belangrijk vormvoorschrift – dat is gegeven met het oog op de toetsbaarheid van de afgelegde verklaringen gedurende het strafproces – in aanzienlijke mate geschonden. De ernst van het verzuim wordt mede bepaald door het belang van de betreffende verklaringen, de aard van de feiten waarover in die verklaringen wordt gesproken en de omstandigheid dat het openbaar ministerie – gelet op de destijds inmiddels opgedane ervaringen met de kluisverklaringen van [Peter la S.] – zich van het belang van registratie bewust had kunnen zijn.
Ik heb ingezet op 3 miljoen”,was een opmerking van de getuige ter terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 2009 [25] , daarmee doelend op een hoog niveau van veiligheid dat hij gerealiseerd wilde zien.
“.. dat in de wet staat dat een getuige de waarheid moet spreken, dat zal zo zijn en dat betreft een getuige die ter terechtzitting moet verklaren. Maar een getuige die gesprekken met CIE-ers moet voeren, waarbij jarenlange gevangenisstraffen in het spel zijn, laat niet in één keer het achterste van zijn tong zien.“ [41] Wat er zij van de juistheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid van deze opvatting, [Peter la S.] heeft hiermee getypeerd wat zijn houding was in de vroege fase van contact met de politie waarin hij al wel inhoudelijk verklaarde.
“makkelijker voor afspraken”. [69] Over [Dino S.] heeft [Peter la S.] gezegd dat wat hij zegt belangrijker is dan wat [Ali A.] zegt en dat de mededeling dat de prioriteit bij de moord op van der Bijl lag bij [Dino S.] vandaan kwam. [70] Ook heeft hij over [Dino S.] gezegd dat de opdrachten “via” hem kwamen. [71] Er worden aantallen genoemd ten aanzien van de ontmoetingen met [Ali A.] en [Dino S.] , met eerstgenoemde werd vaker afgesproken dan met [Dino S.] . [72] Daarnaast heeft [Peter la S.] ook uitlatingen gedaan over [Willem H.] :
“Ja dat was de man! ( .. ) Niet alleen in deze liquidatie. Willem was ehh in Jessies ogen, laat ik het zo zeggen, was Willem de man. Hij heeft het verstrekt.” [73]
“als we Dino (het hof begrijpt: [Dino S.] ) kunnen pakken hebben we [Willem H.] ook”. [74] Op 18 augustus 2006 heeft [Peter la S.] [Fred R.] genoemd als betrokkene bij de moord op Van der Bijl en [Dino S.] als de opdrachtgever. [75]
“als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie”. [78]
“Osdorp eerst” [79] .Dit is de wijk in Amsterdam waar Houtman woonde. Het hof merkt op dat bij beide opmerkingen de achtergrond wordt gevormd door plannen voor meer dan één moord en dat er kennelijk een bij de uitvoering te hanteren volgorde wordt bedoeld. Opmerking verdient voorts dat [Peter la S.] ruim één jaar respectievelijk ruim zes jaar na de ontmoeting verklaart over wat precies is gezegd. Reeds voor de eerste termijn geldt dat de herinnering aan exact gebezigde woorden kan zijn vervaagd. Gelet hierop zijn er geen aanknopingspunten om een vervorming van het geheugen van [Peter la S.] als gevolg van de weglating aan te nemen. Evenmin bestaat grond om aan te nemen dat [Peter la S.] hiermee in 2011 alsnog heeft geprobeerd de rol van [Willem H.] kleiner te maken ten koste van [Dino S.] , zoals de verdediging heeft beoogd te betogen.
“Jessie vertelde mij dat hij enige tijd voor de liquidatie op Kees Houtman naar [Willem H.] is gegaan om te vragen of deze “een klus” voor hem had. [Willem H.] heeft hem toen verwezen naar Dino, waarna hij de klus kreeg om Houtman te liquideren.” [83] Op 22 november 2006 heeft [Peter la S.] een gesprek gehad met onder anderen de officier van justitie [officier van justitie 1] . Er is hem toen gevraagd naar – wat is gaan heten – het “Naardenvestingverhaal”. [Peter la S.] heeft geantwoord dat [Jesse R.] daar om een klus heeft gevraagd aan [Willem H.] en dat deze hem verwees naar [Dino S.] . Uit het antwoord kan worden opgemaakt dat [Peter la S.] hierbij aanwezig was. De moord op Houtman heeft hij daarbij niet genoemd. [84]
“Nou ja ik zeg over Dino dat heb ik alleen maar van Jes gehoord dus dat is vrij zacht. Maar over Willem dat kan hem nog wel eens zwaar aangerekend worden.” [91] [Peter la S.] heeft dit gezegd op het moment dat hij zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] al meermalen kenbaar had gemaakt. Blijkens een proces-verbaal van 7 november 2006 is op 2 november 2006 de opnameapparatuur uitgeschakeld en heeft [Peter la S.] verklaard over de ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein. Wat er zij van de taxatie die [Peter la S.] op 9 november 2006 geeft, er kan in elk geval niet uit worden opgemaakt dat [Peter la S.] bewust en gericht de onderlinge verhouding tussen [Dino S.] en [Willem H.] anders wilde voorstellen dan hij tot dan toe in de vijftien kluisverklaringen had gedaan. Evenmin biedt het steun voor de veronderstelling dat [Peter la S.] [Dino S.] “erin heeft willen leggen”. Het globale beeld had hij op dat moment al gepresenteerd en dat is in grote lijnen in latere verklaringen ongewijzigd gebleven.
“ Ik kan alleen zeggen dat ik niemand expres heb belast waar het niet het geval was. Ik heb niet gezegd: Dino is schuldig, terwijl dat niet waar was.” [93]
moord– om een zogeheten dealfeit gaat. [94] [Peter la S.] is in de afspraak met de officier van justitie de verplichting aangegaan om over deze feiten volledig en naar waarheid te verklaren. Over de moord op [slachtoffer 13] kon [Peter la S.] als getuige verklaren in die zin dat hij [Jesse R.] en [betrokkene 15] heeft horen spreken over de moord. Bij de moord op Houtman was hij zelf strafbaar betrokken geweest.
“In elk geval heeft hij mij nooit iets verteld over ernstig geweld in de richting van anderen”. [99]
De moord op Houtman
Invloed vanuit mediaberichtgeving?
Gelogen over de Fiat?
“absoluut niet waar”. [118] [Peter la S.] heeft op vragen hierover steeds gezegd dat hij niet weet of dit een zekerheidje kan zijn geweest. [119]
Kernpunten betreffende de PD Houtman: de hulzen en de looproute
De looproute
“wel iets verder nog”was gelegen. Hij heeft verklaard dat hij op die plek heeft
“rondgelopen”. [140]
“vrij groot stuk”is waar hij heeft rondgelopen en dat hij niet kan zeggen waar hij precies heeft geschoten. [143]
Conclusie ten aanzien van de hulzen en de looproute in samenhang
Vluchtroute
De gebruikte Kalashnikov
Verankering PD Houtman
De documenten op de laptop van [Peter la S.]
“Het was oorlog”in de beleving van [Peter la S.] . [211] Een deel van de stukken was al geschreven in juni 2009, omdat [Peter la S.] ook toen naar eigen zeggen al overhoop lag met het TGB. Er is geen inhoudelijke sturing geweest zoals in de documenten is gesteld. De alternatieve verklaring inzake de moord op Houtman is feitelijk onjuist en was opgesteld voor het geval de afspraak door het OM zou worden opgezegd. [212]
Specifiek namens [Mohamed R.] gevoerde verweren
Medeplegen
Voorbedachte raad
NJ 2014/156 (https://www.navigator.nl/document/id8e79a92d868c4d2db6895f7e06eee5d2)). [217]
Inleiding
Algemene vaststellingen
Verklaringen getuigen in jaren ‘90
Verklaringen getuigen [Peter la S.] en [getuige 1]
Telecomgegevens
- het gebruik van de ATF *1810 die in de betreffende periode door [Jesse R.] en [Mohamed R.] werd gebruikt is steeds zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband te brengen met
- in de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] en [Raymond V.] ;
- in de zaak Opa kan ook het gebruik van de in die periode door [Freek S.] gebruikte ATF *9952 zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband worden gebracht met die zaak;
- in de zaak Opa kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moord contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Freek S.] , [Pinny S.] en [N.P. de B.] ;
- in de zaak Cobra kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Cobra-betrokkene-1] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] .
Tussenconclusie
- de telecomgegevens
De feitelijke gang van zaken
- [Raymond V.] , [Mohamed R.] en [Jesse R.] het plan hebben gemaakt om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven te brengen;
- dat er tevoren met één van de te gebruiken vuurwapens is ‘proefgeschoten’;
- dat er eveneens tevoren een auto is gestolen, dat [Raymond V.] en [Mohamed R.] in die auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats zijn gereden;
- dat daar ook [Jesse R.] aanwezig was en dat daar beide slachtoffers zijn doodgeschoten, terwijl één van hen gezeten op zijn knieën tevergeefs om zijn leven smeekte, en
- dat zij vervolgens de gestolen auto en de slachtoffers in brand hebben gestoken.
Medeplegen
- dat [Mohamed R.] al in de plannen van [Raymond V.] vooraf was betrokken;
- dat hij samen met [Raymond V.] en de slachtoffers in de nachtelijke uren naar een afgelegen plaats is gereden;
- dat hij aanwezig is geweest bij het doodschieten van de slachtoffers, waarbij een van de slachtoffers nog om zijn leven heeft gesmeekt;
- dat hij aanwezig is geweest bij het vervolgens in brand steken van de slachtoffers en de auto;
- dat hij vervolgens met [Raymond V.] weer naar de woning aan de [adres 2] is gereden en daar aan anderen lacherig verslag heeft gedaan van het gebeurde.
Voorbedachte raad
- [Raymond V.] , [Mohamed R.] en [Jesse R.] het plan hebben gemaakt om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven te brengen;
- dat er tevoren met één van de te gebruiken vuurwapens is ‘proefgeschoten’;
- dat er eveneens tevoren een auto is gestolen, dat [Raymond V.] en [Mohamed R.] in die auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats zijn gereden;
- dat daar ook [Jesse R.] aanwezig was en dat daar beide slachtoffers zijn doodgeschoten, terwijl één van hen gezeten op zijn knieën tevergeefs om zijn leven smeekte, en
- dat zij vervolgens de gestolen auto en de slachtoffers in brand hebben gestoken.
.
aangenomenomdat [Jesse R.] hem heeft verteld dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] in die periode de uitvoerders (“liquidators”) van [Cobra-betrokkene-1] waren.
.
.Bovendien kan, zoals hiervoor is overwogen, ten aanzien van het telefonische contact tussen het nummer *1810 en de huisaansluiting van de ouders van [Pinny S.] beredeneerd en onderbouwd worden geconcludeerd dat het hier een gesprek tussen [Mohamed R.] en [Pinny S.] betrof. Dat dit een telefoongesprek betrof tussen de zus van [Pinny S.] en [Mohamed R.] over het verzorgen van het wasgoed, zoals door [Pinny S.] gesuggereerd, wordt noch door de betreffende zus noch door [Mohamed R.] zelf bevestigd. Met betrekking tot de verkeersgegevens van 18 april 1993 wijst het hof er op dat in het licht van de verklaringen van [Opa-getuige-1] betekenis toekomt aan de vaststelling dat zowel de *1810 als de *9952 zich op 18 april 1993 rond 18.00 uur binnen het bereik van een zendmast te Breukelen bevonden en toen ook contact met elkaar hadden. Nu [Opa-getuige-1] slechts heeft verklaard dat het de bedoeling was [slachtoffer 3] op 18 april 1993 in Breukelen te vermoorden en niet dat de daders toen ook daadwerkelijk aldaar in een hinderlaag hebben liggen wachten, zijn die gegevens niet strijdig met die verklaring.
De feitelijke gang van zaken
Medeplegen
Voorbedachte raad
- de verklaringen van [Opa-getuige-1] die er op neerkomen dat [Pinny S.] haar heeft verteld dat zij [Mohamed R.] heeft ingeschakeld om de moord te plegen en dat [Mohamed R.] in overleg met [Pinny S.] de nodige voorbereidende werkzaamheden heeft verricht;
- de verklaringen van [getuige 1] die er op neerkomen dat [Mohamed R.] hem heeft verteld dat hij in Amsterdam met [Jesse R.] een liquidatie had uitgevoerd op de man van een hoer;
- de verklaringen van [Peter la S.] over de mededaders van [Mohamed R.] voor wier betrokkenheid steun bestaat in andere bewijsmiddelen;
- telecomgegevens waaruit in samenhang met de andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [Mohamed R.] en [Pinny S.] telefonisch contact hebben gehad over de afspraak die [Pinny S.] met [slachtoffer 3] heeft gemaakt.
De feitelijke gang van zaken
Medeplegen
Uitlokking
Medeplichtigheid
die vrouw op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was, [niet] hoefde te worden geliquideerd, maar getuige [was] en toen ook dood [moest]”. Van concrete aanwijzingen dat op voorhand was afgesproken om ook eventuele getuigen of andere inzittenden te doden, is niet gebleken. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat de opzet van [Mohamed R.] mede gericht was op het doodschieten van [slachtoffer 5] , zodat hij van de medeplichtigheid daarbij moet worden vrijgesproken.
- De verklaringen van [slachtoffer 10] dat [Mohamed R.] hem heeft gezegd dat hij betrokken was bij de moord op een man en vrouw in Antwerpen, waarbij het vuile werk door [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] was gedaan;
- afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken tussen [Siegfried S.] en [Mohamed R.] in de periode kort voor de moord waaruit het hof afleidt dat [Mohamed R.] en [Siegfried S.] de aanschaf van een of meer vuurwapens bespraken;
- de verklaring van [getuige 36] waaruit blijkt dat [Siegfried S.] kort voor de moord een vuurwapen met geluiddemper voorhanden had en dit vuurwapen over heeft gedragen aan [Cobra-betrokkene-3] ;
- bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van de twee schutters, [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] , blijkt;
- telecomgegevens waaruit blijkt dat [Mohamed R.] op de avond en in de nacht van de moord contacten heeft gehad met telefoons en semafoons van de andere betrokken personen [Cobra-betrokkene-2] , [Cobra-betrokkene-1] en [Jesse R.] .
Het hof acht niet bewezen dat [Mohamed R.] ook medeplichtig is aan het doodschieten van [slachtoffer 5] , omdat niet is komen vast te staan dat het doodschieten van [slachtoffer 5] onderdeel van het plan was.
de auditu-verklaringen zijn, kan in het licht van al het voorgaande niet afdoen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, zodat de verweren worden verworpen.
de verpersoonlijking van leugenachtigheid, aldus één van de raadslieden. De verdediging heeft ter adstructie van haar stellingen gewezen op de justitiële antecedenten van [Indiana-getuige-1] en diens veroordelingen ter zake oplichting. Meer inhoudelijk heeft de verdediging gewezen op het feit dat de getuige wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij de Ford Mondeo aan [Mohamed R.] ter beschikking zou hebben gesteld, de locatie (in Amsterdam c.q. op Ibiza) waar [Mohamed R.] zou hebben gesproken over de liquidatie en het moment waarop [Indiana-getuige-1] met [Jesse R.] zou hebben gesproken over de liquidatie. Ten slotte is de suggestie opgeworpen dat [Indiana-getuige-1] door de politie is gevoed met informatie.
De feitelijke gang van zaken
Medeplegen
Voorbedachte raad
de verklaringen van [Peter la S.] die er op neerkomen dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat hij in opdracht van – en tegen betaling door – [Mohamed R.] op een neger bij het IJsbaanpad heeft geschoten;
de verklaringen van [slachtoffer 6] dat [Mohamed R.] hem naar het IJsbaanpad heeft gelokt;
de verklaringen van [Indiana-getuige-1] dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] hem hebben verteld over hun betrokkenheid bij het delict;
verkeersgegevens van aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toe te schrijven telefoonnummers.
4.Bewezenverklaring
5.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.Strafbaarheid van de verdachte
7.Oplegging van straf
eerstevoorwaarde heeft betrekking op de vraag die bij de herbeoordeling aan de orde komen, namelijk of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Hiervoor is vereist dat reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf het voor de veroordeelde in voldoende mate duidelijk is welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten hij moet voldoen, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. De in dat verband gehanteerde criteria mogen niet zo stringent zijn dat vrijlating alleen is toegelaten bij een ernstige ziekte of bij het bereiken van een hoge leeftijd.
tweedevoorwaarde dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden.
derdevoorwaarde is dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen dient te zijn omgeven.
vierde en laatstevoorwaarde is dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van
resocialisatie-activiteitenaangeboden (structuur, regelmaat, aanspreken op eigen verantwoordelijkheid). De activiteiten zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Deze zien niet op “daadwerkelijke concrete terugkeer in de samenleving”. Een uitgebreidere inhoudelijke beschrijving hiervan wordt gegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 2 september 2016. In het nieuwe beleid wordt onder resocialisatie-activiteiten verstaan de activiteiten gedurende de eerste 25 jaar van de detentie in het kader van een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Doel daarbij is onder meer het zoveel mogelijk beperken van mogelijke detentieschade.
re-integratieactiviteitenaangeboden. Er wordt dan een groter beroep gedaan op zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Ook wordt er initiatief verwacht van de veroordeelde. Er worden in dat kader geleidelijk meer vrijheden geboden. Verlof kan op enig moment onderdeel daarvan zijn. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten worden gemonitord.
detentiewordt de veroordeelde overgebracht naar het Pieter Baan Centrum voor diagnostiek en risico-analyse. Ook wordt een slachtoffer- en/of nabestaandenonderzoek gedaan door Slachtofferhulp Nederland. Verder krijgt de Reclassering Nederland de opdracht om een RISc uit te voeren (genoemd in de brief van 20 december 2016).
detentieis het eerste toetsmoment. Ter beoordeling staat of re-integratieactiviteiten zullen worden aangeboden. Het adviescollege dat bij het Besluit is ingesteld, adviseert hierover, gehoord de veroordeelde en gehoord nabestaanden en slachtoffers en zo nodig op basis van deskundigenadvies. De minister beslist of re-integratieactiviteiten al dan niet worden gestart alsmede waarin deze bestaan.
detentievindt herbeoordeling van de straf plaats. Hiertoe neemt de minister een “voorstel tot gratieverlening” in overweging. Dit is een procedure op de voet van artikel 19 Gratiewet Pro waarbij de minister wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een onderzoek naar de mogelijkheden van gratiëring initieert. In deze procedure wordt advies ingewonnen van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de straf heeft opgelegd. Dit ontvangt op zijn beurt een advies van het OM. De toepasselijkheid van dit traject blijkt noch uit de tekst van het Besluit noch uit de toelichting erop. Maar de brieven van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 25 oktober 2016 en van 20 december 2016 maken dit wel duidelijk.
gratieverzoekdient te worden gemotiveerd (artikel 18, lid 2 Gratiewet) maar dat voorschrift is niet van toepassing in de ambtshalve procedure die op de voet van het Besluit zal worden geïnitieerd.
Uit de rechtspraak van het EHRM en de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2016 volgt dat de bestaande Nederlandse praktijk van oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd was met het EVRM.
8.Vordering gevangenneming
9.Beledigde partij
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.BESLISSING
levenslange gevangenisstraf.