ECLI:NL:GHAMS:2017:3205

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 augustus 2017
Publicatiedatum
10 augustus 2017
Zaaknummer
200.194.052/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en afwijzing vordering tot tussenkomst in civiele zaak

In deze civiele procedure zijn Garda International Limited en Bank Julius Bär & Co. Ltd. in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam. De kern van het geschil betreft de toelating van Garda als tussenkomende partij in een procedure tussen Bank Julius Bär en Lehman Brothers Treasury.

De rechtbank had de vordering van Garda tot tussenkomst afgewezen en deze beslissing geldt als een eindvonnis. Garda stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit niet tijdig binnen de wettelijke termijn van drie maanden, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep.

Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing aan toewijzing van de vordering tot tussenkomst in hoger beroep in de weg staat. Garda is veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en het incident tot tussenkomst. De verdere behandeling van de hoofdzaak is aangehouden en verwezen naar een latere rolzitting.

Uitkomst: Garda wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en de vordering tot tussenkomst wordt afgewezen met veroordeling in kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.194.052/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/559602/HA ZA 14-187
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 augustus 2017
inzake
1.) GARDA INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
appellante,
advocaat: mr. R.J. van Galen te Amsterdam,
en
2.) BANK JULIUS BÄR & Co. Ltd.,
gevestigd te Genève, Zwitserland,
appellante,
tegen:
LEHMAN BROTHERS TREASURY CO. B.V. in liquidatie,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Garda, Bär en LBT genoemd en Garda en Bär tezamen Garda c.s.
Garda c.s. zijn bij dagvaarding van 23 mei 2016 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2015 en 24 februari 2016, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Bär als eiseres en Garda als gevoegde partij aan de zijde van Bär en Lehman als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- conclusie van eis in hoger beroep tevens houdende vordering tot tussenkomst;
- memorie van antwoord in het incident tot tussenkomst tevens bezwaar tegen vermeerdering van eis.
Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.
Garda c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - zal beslissen inzake het incident tot interventie, althans op de vordering tot tussenkomst en de hoofdzaak overeenkomstig hun conclusie van eis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.
Lehman heeft geconcludeerd dat Garda niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep, dat Garda’s vordering tot tussenkomst wordt afgewezen, dat het oordeel van de rechtbank inzake de vermeerdering van eis van Bär wordt bekrachtigd, en dat de vermeerdering van eis van Bär in hoger beroep buiten beschouwing wordt gelaten, met beslissing over de proceskosten, met rente.

2.Beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van
27 januari 2015 mondeling uitspraak gedaan in het incident tot tussenkomst, inhoudende dat zij de vordering van Garda te mogen tussenkomen afwijst. Deze uitspraak heeft ten aanzien van Garda te gelden als een eindvonnis (HR 24 juni 1992, NJ 1993/548). Garda heeft in hoger beroep gevorderd dat zij alsnog wordt toegelaten als tussenkomende partij. Nu Garda echter eerst bij dagvaarding van 23 mei 2016 hoger beroep heeft ingesteld van dit eindvonnis en dus niet binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis (art. 339 lid 1 Rv Pro), is zij niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
2.2.
De beslissing van de rechtbank dat de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar is, heeft gezag van gewijsde, en daarop heeft LBT een beroep gedaan (memorie van antwoord in het incident onder 3.5). Het is juist dat het gezag van gewijsde van de beslissing dat de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar is, aan toewijzing van de incidentele vordering tot tussenkomst in hoger beroep in de weg staat.
2.3.
Garda zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep in het incident tot tussenkomst en in het incident tot tussenkomst in hoger beroep worden veroordeeld.
2.4.
LBT maakt voorts bezwaar tegen het hoger beroep voor zover daarbij is geappelleerd tegen de afwijzing van de vermeerdering van eis en tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep. De beslissing hieromtrent zal moeten worden genomen in de hoofdzaak.
2.5.
Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
in het hoger beroep tegen het vonnis in het incident tot tussenkomst van 27 januari 2015:
verklaart Garda niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
veroordeelt Garda in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bär begroot op nihil en aan de zijde van LBT op € 2.290 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit arrest;
in het incident tot tussenkomst in hoger beroep:
wijst de vordering van Garda af,
veroordeelt Garda in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Bär begroot op nihil en aan de zijde van LBT begroot op € 2.290 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit arrest;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 september 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van LBT;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M. Jurgens en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.