ECLI:NL:GHAMS:2017:3205
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en afwijzing vordering tot tussenkomst in civiele zaak
In deze civiele procedure zijn Garda International Limited en Bank Julius Bär & Co. Ltd. in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam. De kern van het geschil betreft de toelating van Garda als tussenkomende partij in een procedure tussen Bank Julius Bär en Lehman Brothers Treasury.
De rechtbank had de vordering van Garda tot tussenkomst afgewezen en deze beslissing geldt als een eindvonnis. Garda stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit niet tijdig binnen de wettelijke termijn van drie maanden, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep.
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing aan toewijzing van de vordering tot tussenkomst in hoger beroep in de weg staat. Garda is veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en het incident tot tussenkomst. De verdere behandeling van de hoofdzaak is aangehouden en verwezen naar een latere rolzitting.
Uitkomst: Garda wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en de vordering tot tussenkomst wordt afgewezen met veroordeling in kosten.