ECLI:NL:GHAMS:2017:3318
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontnemingsvordering op basis van kasopstelling ondanks vrijspraak
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bevestigd waarbij aan de veroordeelde een betalingsverplichting van €37.687 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De ontnemingsvordering was gebaseerd op een kasopstelling die het verschil berekent tussen contante uitgaven en legale inkomsten.
De raadsman van de veroordeelde voerde aan dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen of verminderd omdat niet aannemelijk was dat het verschil afkomstig was van strafbare feiten. De verdediging stelde dat de veroordeelde legale inkomsten had uit prostitutie, rente op leningen, belenen van sieraden en verkoop van stimulerende middelen.
Het hof oordeelde dat er geen relatie vereist is tussen de veroordeelde feiten en het voordeel en dat de bewijslast redelijk verdeeld is. De veroordeelde had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij over voldoende legale inkomsten beschikte. De kasopstelling toonde een negatief verschil, wat wijst op onbekende strafbare feiten als bron van het voordeel.
Een getuige bevestigde contante betalingen aan de veroordeelde, wat het hof in gunstige zin meewoog door de kosten voor levensonderhoud te beperken. Het hof verwierp het verweer dat vrijspraak gevolgen heeft voor de ontnemingsvordering, omdat de kasopstelling zich richt op bestedingen en niet op de strafbare feiten die de bron vormen.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 augustus 2017 en bevestigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €37.687 ondanks vrijspraak van enkele feiten.