ECLI:NL:GHAMS:2017:3870
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende relatie onverklaard vermogen met drugshandel
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie afgewezen. Het OM had gevorderd dat de veroordeelde een bedrag van €175.678,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat zou betalen, gebaseerd op een kasopstelling over de periode 2010. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor meerdere feiten in strijd met de Opiumwet.
Het hof overwoog dat artikel 36e lid 3 (oud) Sr niet van toepassing is omdat er geen strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) was ingesteld. Voor toepassing van artikel 36e lid 2 (oud) Sr moet het gevorderde voordeel voldoende kunnen worden gerelateerd aan de bewezen verklaarde feiten of soortgelijke feiten. Het hof oordeelde dat het onverklaarde vermogen van de veroordeelde onvoldoende kon worden toegeschreven aan de drugshandel waarvoor hij was veroordeeld.
De raadsman voerde aan dat de veroordeelde over voldoende legale geldstromen beschikte en dat er geen aanwijzingen waren voor andere strafbare feiten. Het hof volgde dit en vond dat ontneming op basis van de feiten waarvoor de veroordeelde was veroordeeld in strijd zou zijn met het onschuldbeginsel. Daarom wees het hof de ontnemingsvordering af en hoefde het geen verdere argumenten te behandelen.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat het onverklaarde vermogen onvoldoende kan worden gerelateerd aan de drugshandel.