De verdachte werd beschuldigd van het in vereniging vervoeren, verkopen en afleveren van heroïne en cocaïne in de periode van 20 juni 2011 tot 8 november 2011 in IJmuiden en Haarlem. Na uitgebreid onderzoek met onder meer observatie, telecommunicatieonderzoek en getuigenverklaringen, achtte het hof bewezen dat verdachte samen met anderen handelde in harddrugs.
De verklaringen van een medeverdachte, hoewel deels inconsistent, werden bevestigd door andere getuigen en opsporingsonderzoek. De handel was georganiseerd via een centraal telefoonnummer waarop klanten bestellingen plaatsten, waarna drugs werden afgeleverd en geld werd ontvangen door de verdachten.
Het hof kwalificeerde het handelen als medeplegen van opzettelijke handel in strijd met de Opiumwet. Gelet op de ernst van de feiten, de rol van verdachte als medepleger en positieve persoonlijke ontwikkelingen, stelde het hof een gevangenisstraf van 8 maanden passend, maar legde vanwege schending van de redelijke termijn een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het vonnis van de rechtbank Haarlem werd vernietigd en het arrest van het hof is het bindende oordeel in deze zaak.