Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Stukken van het geding
3.Het vooronderzoek c.a.
4.De feiten
daat-)notarissen. Bij het onderzoek zijn verschillende vennootschappen van “het concern” [woningbouwvereniging] betrokken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat, waarin een ambtshalve bedenking tegen een kandidaat-notaris ongegrond werd verklaard. Het BFT stelde dat de kandidaat-notaris tekort was geschoten in zijn onderzoeks- en waarschuwingsplicht bij begeleiding van onroerendgoedtransacties van een woningbouwvereniging.
De kandidaat-notaris was van 2000 tot 2012 verbonden aan een notariskantoor dat optrad bij diverse vastgoedprojecten van de woningbouwvereniging. Het BFT voerde een onderzoek uit naar de financiële onafhankelijkheid van het notariskantoor en de handelwijze van de kandidaat-notaris bij drie geselecteerde projecten, waarbij 51 akten waren gepasseerd. Het onderzoek leidde tot een rapport waarin werd geconcludeerd dat de kandidaat-notaris onvoldoende dossiervorming had verricht en tekort was geschoten in zijn zorgplicht.
Het hof bevestigde echter het oordeel van de kamer dat geen sprake was van schending van de notariële zorgplicht. De transacties betroffen professionele partijen die werden bijgestaan door deskundige adviseurs, waardoor de notaris goede grond had te vertrouwen op hun deskundigheid en inzicht. Hoewel de dossiervorming op enkele punten te wensen overliet, was dit onvoldoende voor een gegronde tuchtrechtelijke bedenking. Het hof oordeelde dat de maatstaf juist was toegepast en dat de kandidaat-notaris niet verwijtbaar had gehandeld.
De bestreden beslissing van de kamer werd bevestigd en het beroep van het BFT ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de kandidaat-notaris geen tuchtrechtelijk verwijt treft en verklaart het beroep van het BFT ongegrond.