De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige dochter, waarbij de moeder het ouderlijk gezag uitoefent. De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking die de omgangsregeling beperkte, met name inzake de vakanties. De moeder en stiefvader verzochten in incidenteel hoger beroep om ontzegging van omgang en schorsing van de regeling.
Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar de moeder en stiefvader niet in hun incidenteel hoger beroep en schorsingsverzoek. Het hof stelt vast dat sinds maart 2017 geen fysieke omgang meer heeft plaatsgevonden, alleen contact via WhatsApp en telefoon. De minderjarige heeft zelf aangegeven het contact op die wijze te willen voortzetten en zelf de opbouw van de omgang te willen bepalen.
Gezien de verstoorde verhoudingen tussen ouders en de complexe voorgeschiedenis, benoemt het hof een bijzondere curator om de belangen van de minderjarige te behartigen en onderzoek te doen naar een passende omgangsregeling. Totdat het hof een eindbeslissing neemt, geldt een ambtshalve schorsing van de omgang, behalve indien de minderjarige zelf omgang wenst of contact via digitale middelen.
De zaak wordt aangehouden tot februari 2018 voor verdere behandeling na rapportage van de bijzondere curator.