Conclusie
1.Feiten en procesverloop
In een proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2015 van de rechtbank Amsterdam is vermeld -kort gezegd en voor zover thans van belang- dat de kinderechter vaststelt dat het voor de minderjarige van belang is dat de vader haar wensen over de intensiteit van de omgang respecteert en ook over hoe de vader zich naar haar verhoudt in het openbaar en in het bijzijn van anderen. De kinderrechter heeft opgemerkt dat er bij de minderjarige een behoefte bestaat om serieus genomen te worden in haar wensen. De rechtbank gaat ervan uit dat alle opvoeders in het leven van de minderjarige haar de ruimte geven om vrijelijk bij de ander te verblijven en haar wensen ten aanzien van het contact serieus te nemen. De zaak is daarmee afgedaan, aldus het proces-verbaal.
(…)
In het contact met haar vader is er sprake van chronische onzekerheid. [de minderjarige] geeft aan bang te zijn voor een (onverwachte) confrontatie met haar vader, wat erop duidt dat zij onvoldoende gevoel van grip en controle heeft, en dit bedreigt haar gevoel van competentie (…) De verbondenheid met haar vader staat zeer onder druk(p. 9).
(…) [de minderjarige] heeft behoefte aan emotionele veiligheid in afhankelijkheidsrelaties (lees: relaties met personen met wie zij verbonden is of zich verbonden voelt; met haar ouders en stiefouders). [de minderjarige] heeft het nodig om met name door haar vader, maar ook van andere belangrijke zorgfiguren, respect, wederkerigheid en zelfbeschikking te ervaren en erop te kunnen vertrouwen dat dit oprecht en duurzaam is. [de minderjarige] heeft er behoefte aan dat haar vader echt begrijpt dat hij [de minderjarige] heeft beschadigd en dat hij gelooft en accepteert dat [de minderjarige] weerstand tegen contactherstel niet door de opvattingen van haar moeder wordt bepaald. Het is haar eigen keuze.
(…).
. [de minderjarige] maakt melding van ervaringen met haar vader die opgevat kunnen worden als emotioneel onveilig doordat het een schrikeffect veroorzaakt. Gevolg hiervan is dat negatieve emoties van vader versterkt worden geuit en die zijn altijd bedreigend voor kinderen. (…) Haar manier om weg te lopen van het gedrag is: ‘Ik stel mijzelf niet meer bloot aan het risico dat mijn grenzen worden overschreden’. Daarmee zorgt zij goed voor zichzelf. Dit is echter een gevolg van de strijd tussen de ouders.
.
3.Bespreking van het cassatiemiddel voor het overige.
De rechter kan, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a of 377b, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
onderdeel 3, waarin de vader betoogt dat de bijzondere curator, een onderzoeksopdracht heeft gekregen die er met name op is gericht om het informele verzoek van de minderjarige (het in de ogen van de vader verkapte appel) te beoordelen, hetgeen onbegrijpelijk is in het licht van de rechtsstrijd in hoger beroep, aldus de vader, en niet kan bijdragen aan een beslissing op het hoger beroep van de vader. Immers, de rechtsstrijd ziet door de toepassing van art. 1:377g BW niet enkel op de vakantieregeling, maar daardoor ligt de omgang tussen de vader en de minderjarige in volle omvang voor. Het verzoek van het hof aan de bijzondere curator om onderzoek te verrichten naar de wensen van de minderjarige met betrekking tot de omgang met de vader en naar de vraag of en zo ja, welke omgangsregeling in het belang is van de minderjarige, een en ander met inachtneming van hetgeen daarover in r.o 5.11 van de beschikking van het hof van 21 november 2017 is overwogen, is dan ook in het licht van de brief van de minderjarige en het gesprek van de voorzitter met de minderjarige niet onbegrijpelijk.
onderdeel 4– dat eveneens voortbouwt op de eerdere onderdelen - klaagt de vader dat het hof het verbod op reformatio in peius heeft geschonden in de bestreden (eind)beschikking van 8 november 2018. De minderjarige heeft niet tijdig hoger beroep ingesteld, de moeder en de stiefvader zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep, zodat in de visie van de vader slechts ter beoordeling voorlag het hoger beroep van de vader en het hof dus niet een ongunstigere beslissing had mogen nemen dan de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg.
Ten overvloede zou ik het volgende willen opmerken. In zaken betreffende omgang en gezag kan de rechter afwijken van hetgeen ouders verzoeken in het belang van het kind.
Art. 1: 253a bepaalt dat bij gezamenlijk gezag ouders geschillen over dit gezag aan de rechtbank kunnen voorleggen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind voorkomt en kan dus buiten de rechtsstrijd treden. Hij kan bijvoorbeeld een ruimere dan wel verdergaande beperking van de omgang bepalen dan de ouders hebben verzocht. [25] Bij geschillen over de omgang tussen ouders zonder gezag ontbreekt een dergelijke bepaling. Het lijkt mij dat op grond van art. 8 jo Pro 14 EVRM en art. 3 IVRK Pro ook in deze gevallen de rechter een beslissing moet kunnen geven in het belang van het kind, ook als die afwijkt van hetgeen de ouder(s) verzocht heeft/hebben. Het verbod van reformatio in peius geldt mijns inziens niet of in mindere mate in zaken betreffende gezag en omgang.