ECLI:NL:GHAMS:2017:5044
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vergoeding schade door voorlopige hechtenis na niet-opleggen straf
Appellant verzocht om een vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van voorlopige hechtenis en verzekering, waaronder inkomstenderving tijdens en na detentie. De rechtbank kende een bedrag van €14.810 toe, waartegen zowel het Openbaar Ministerie als appellant hoger beroep instelden.
Het hof nam kennis van de stukken en hoorde partijen in raadkamer. Het hof constateerde dat de strafzaak was geëindigd zonder strafoplegging en dat appellant 97 dagen in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Het Openbaar Ministerie stelde dat appellant huurinkomsten had ontvangen uit misdrijf en dat dit schadeverzoek daarom moest worden afgewezen of gematigd.
Het hof oordeelde dat appellant niet in die mate verwijtbaar had gehandeld dat schade niet ten laste van de staat kon komen. De vergoeding voor de dagen in voorarrest werd toegekend. De gevorderde schade wegens inkomstenderving tijdens en na detentie werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en omdat loonderving na vrijlating niet rechtstreeks gevolg was van detentie. Verzoek tot verdubbeling van vergoeding wegens publiciteit werd eveneens afgewezen.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende een vergoeding van €7.810 toe, wijzend het overige af.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €7.810 toe voor schade door voorlopige hechtenis en wijst overige schadevorderingen af.