Uitspraak
1. Het geding in hoger beroep
2. Stukken van het geding
3. Feiten
[naam], wonende te [adres]
1.de heer [naam] (geboren [geboortedatum] ) blijkens na te melden
aldaar werkzaam
2.Mevrouw [naam] (geboren [geboortedatum] )
aldaar werkzaam”
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster diende een klacht in tegen een gerechtsdeurwaarder die een exploot van dagvaarding valselijk zou hebben opgemaakt door te verklaren dat het exploot op een bepaalde datum aan haar kantoor was betekend, terwijl dit volgens klaagster niet het geval was. Het exploot vermeldde dat de betekening had plaatsgevonden aan een medewerker die sinds jaren niet meer bij klaagster werkzaam was.
De gerechtsdeurwaarder betwistte de beschuldigingen en stelde dat mogelijk een ander zich had uitgegeven als de genoemde medewerker of dat een fout was ontstaan door de werkwijze op zijn kantoor. Hij ontkende moedwillige vervalsing en wees op het ontbreken van belang van klaagster bij de klacht.
Het hof oordeelde dat klaagster wel ontvankelijk was en dat de ernst van de klacht, die ziet op moedwillige vervalsing, nader onderzoek vereist. Omdat klaagster niet was verschenen in beide instanties en het hof zich onvoldoende voorgelicht achtte, werd een nieuwe mondelinge behandeling bevolen waarbij partijen in persoon zullen worden gehoord. De eerdere maatregel van schorsing van één week werd gehandhaafd.
Het hof gaf partijen tevens in overweging getuigenverklaringen te verzamelen ter ondersteuning van hun standpunten. De beslissing werd op 21 november 2017 uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Klacht gegrond verklaard en schorsing van één week opgelegd, met aanhouding voor nadere mondelinge behandeling.