Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
“Zoals wij bespraken tijdens mijn bezoek begin mei van dit jaar, treft u hierbij de volgende zaken aan: - Akkoordverklaring tussen huurder en verhuurder in tweevoud
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de vraag of de achterzolderkamer na renovatie in 2000 onderdeel is geworden van de huurovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde. Appellant stelt dat hij op basis van een mondeling akkoord de achterzolderkamer is gaan huren en wijst op het gebruik van sleutels, doorgetrokken elektriciteit en een hogere puntentelling na renovatie.
Geïntimeerde betwist deze uitbreiding en stelt dat hij tot 2014 in de veronderstelling verkeerde dat de kamer al onderdeel was van het gehuurde. De kantonrechter heeft appellant belast met het bewijs van de uitbreiding, maar appellant is daarin niet geslaagd.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van overeenstemming over de uitbreiding. De brief van geïntimeerde over de huurverhoging wijst op een verhoging voor geriefsverbetering en niet voor extra woonruimte. Ook de puntentellingen bieden onvoldoende bewijs voor uitbreiding. Het feit dat appellant de sleutels had en elektriciteit was doorgetrokken, leidt niet tot een andere conclusie.
Daarnaast faalt het verweer van rechtsverwerking omdat enkel tijdsverloop en het akkoord op een huurcommissie-rapport niet leiden tot gerechtvaardigd vertrouwen dat rechten niet meer zouden worden uitgeoefend.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en oordeelt dat de achterzolderkamer niet tot het gehuurde behoort.