ECLI:NL:GHAMS:2017:5614

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
13 april 2018
Zaaknummer
23-004769-15
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet werk en bijstandArt. 34 lid 3 onder c Wet werk en bijstandArt. 378 lid 2 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke schending inlichtingenplicht bij uitkeringsfraude

De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet tijdig verstrekken van gegevens aan de Dienst Werk en Inkomen, in strijd met artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand.

Het hof heeft het dossier en de stukken, waaronder een hypotheekakte en het inlichtingenformulier, onderzocht. Uit het dossier bleek niet dat verdachte bewust onjuiste informatie heeft verstrekt of op de hoogte was van zijn inlichtingenplicht. Er was geen bewijs dat hij wist van het bezit van onroerend goed in het buitenland dat relevant was voor de uitkering.

De advocaat-generaal had een taakstraf van 230 uur gevorderd, maar het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de plicht tot gegevensverstrekking opzettelijk heeft geschonden. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004769-15
datum uitspraak: 24 mei 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-731017-15 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2017.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode(n) vanaf 24 augustus 2006 tot en met 27 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers heeft hij (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat
- hij beschikte en/of had beschikt over een vermogen (in de vorm van onroerend goed in het buitenland) hoger dan de vermogensgrens (als bedoeld in artikel 34 lid 3 onder Pro c van de Wet werk en bijstand)
zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in strijd met het bepaalde in artikel 378, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, de uitspraak van de politierechter niet in een proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde bewezen en heeft gevorderd dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 230 uren.

Vrijspraak

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen en dat de verdachte is geïnformeerd over de voor hem als bijstandsgerechtigde geldende verplichtingen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de perioden vanaf 24 augustus 2006 tot en met 9 januari 2014 en vanaf 10 februari 2014 tot en met 27 mei 2014 een uitkering heeft ontvangen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wie de rechthebbende(n) van het stuk grond in Marokko is of zijn. Met betrekking tot het appartement van de verdachte in Marokko heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep een hypotheekakte overhandigd waaruit kan worden afgeleid dat deze woning in juli 2007 is gekocht en in december 2007 is geleverd. In het inlichtingenformulier voor de aanvraag van de bijstand gedateerd 11 september 2006 wordt aan de verdachte gevraagd of hij een huis of grond binnen/buiten Nederland heeft, waarop hij heeft aangegeven dat dit (toen) niet het geval was. Dat betekent dat niet vaststaat dat de verdachte het inlichtingenformulier van 11 september 2006 onjuist heeft ingevuld.
Het dossier bevat overigens geen stukken waaruit blijkt dat de verdachte is gewezen op het bestaan en de omvang van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand (oud), zodat niet bewezen is dat de verdachte van deze inlichtingenplicht en de omvang daarvan wetenschap heeft gehad. Evenmin kan daarom worden bewezen dat de verdachte die inlichtingenverplichting opzettelijk niet heeft nageleefd. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. R.D. van Heffen en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 mei 2017.
Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.