ECLI:NL:GHAMS:2017:5668
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling na psychische crisis en stabilisatie
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat zij niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van bepaalde schulden.
In hoger beroep heeft appellante toegelicht dat haar schulden voornamelijk zijn ontstaan tijdens een periode van ernstige psychische klachten na haar ontslag bij de rijksbelastingdienst. Zij heeft hulp gezocht, staat onder inkomensbeheer en werkt inmiddels nagenoeg fulltime. De schulden aan het CJIB betreffen verkeersovertredingen die niet te goeder trouw zijn ontstaan, maar de schulden aan de Sociale Dienst en belastingdienst zijn ontstaan door omstandigheden buiten haar schuld.
Het hof overweegt dat ondanks het ontbreken van te goeder trouw zijn bij het ontstaan van sommige schulden, de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro van toepassing is. Gezien de psychische crisis, de stabilisatie van haar situatie en haar motivatie om de regeling te laten slagen, wordt appellante alsnog toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor voortzetting met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling alsnog toe vanwege de gestabiliseerde situatie van appellante na psychische crisis.