Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Karakter van de CAO”het volgende bepaald:
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen [appellant], een personenvervoerder bij GVB sinds 1992, en GVB over de toepassing van salarisverhogingen zoals geregeld in de cao en een convenant. Het convenant, gesloten in 2007, wijzigt de seniorenregeling en bepaalt dat na het bereiken van schaal 5, trede 11, een werknemer na vijf en tien jaar overgaat naar hogere salarisschalen.
[Appellant] vordert dat de cao-regeling over jaarlijkse salarisverhogingen prevaleert boven het convenant, en dat hij met terugwerkende kracht in een hogere loonschaal wordt ingeschaald. De kantonrechter wees deze vorderingen af, stellende dat het convenant als dispensatie geldt en dus voorrang heeft op de cao.
Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat afwijkingen van de cao mogelijk zijn indien dispensatie is verleend door de vakbonden, zoals hier het geval is. Het convenant geldt voor werknemers die vóór 1 januari 2008 in dienst waren, waaronder [appellant]. De toevoeging in de cao van 2013 betreft alleen werknemers die op of na die datum in dienst kwamen en raakt het convenant niet.
Verder oordeelt het hof dat de inschaling van [appellant] correct is geweest volgens het convenant en salarisadministratie. Zijn bewijsaanbod om dit te betwisten wordt gepasseerd. De grieven van [appellant] leiden niet tot vernietiging van het vonnis, dat wordt bekrachtigd. [Appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellant af en bekrachtigt het vonnis dat het convenant boven de cao gaat voor oudere werknemers.