Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
,ingekomen op 18 mei 2017;
,ingekomen op 24 november 2017.
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Het geschil betreft de vaststelling van kinderalimentatie tussen de man en vrouw na ontbinding van hun huwelijk in 2012. De vrouw verzocht een bijdrage van €96 per kind per maand vanaf 18 september 2016, welke door de rechtbank was toegewezen. De man kwam in hoger beroep met het verzoek deze bijdrage af te wijzen of terug te laten gaan tot de datum van vaststelling.
Het hof onderzocht de draagkracht van de man, die werkzaam is bij Muscle Finesse Netherlands B.V. met een bruto maandsalaris van circa €1.055. De man stelde dat hij geen draagkracht heeft vanwege een laag inkomen, schulden en persoonlijke problemen, terwijl de vrouw vermoedde dat hij meer inkomsten had, onder meer uit bodybuilding en een hennepplantage. Het hof concludeerde dat de man onvoldoende openheid van zaken gaf over zijn werkelijke draagkracht en dat zijn stelling onvoldoende onderbouwd was.
Het hof bepaalde dat de man wel degelijk in staat is de bijdrage te voldoen, maar dat het bedrag van €125 per kind per maand niet wordt gevolgd omdat dit gebaseerd is op een onjuiste aanname over zijn verdiencapaciteit als timmerman. Tevens wijzigde het hof de ingangsdatum van de alimentatiebetaling naar 1 januari 2017, omdat de man vanaf die datum op de hoogte had kunnen zijn van zijn onderhoudsverplichting.
De beschikking van de rechtbank werd in zoverre vernietigd en herzien, waarbij de bijdrage werd vastgesteld op het reeds betaalde bedrag indien dat hoger was dan de vastgestelde alimentatie. Het incidenteel hoger beroep van de vrouw werd afgewezen.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €96 per kind per maand vanaf 1 januari 2017, met bevestiging van draagkracht van de man ondanks zijn betwisting.