ECLI:NL:GHAMS:2018:1191
Gerechtshof Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vergoeding schade door preventieve detentie zonder strafoplegging
Appellant was op 10 december 2012 in verzekering gesteld en vervolgens op 13 december 2012 in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van overtreding van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. De voorlopige hechtenis eindigde op 21 december 2012. De strafzaak werd beëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Appellant verzocht op grond van artikel 89 Sv Pro om een forfaitaire schadevergoeding, vermenigvuldigd met een factor zes, vanwege de ernst van het feit, aantasting van eer en goede naam, psychische druk en de lange duur van het strafproces. Daarnaast verzocht hij om vergoeding van materiële schade en loon- en inkomstenderving. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden en schadeposten niet rechtstreeks het gevolg waren van de voorlopige hechtenis en wees af van een hogere vergoeding dan de forfaitaire bedragen.
Ten aanzien van het verzoek op grond van artikel 591a Sv voor vergoeding van kosten rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep, oordeelde het hof dat gronden van billijkheid aanwezig waren voor toekenning van de vergoeding. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende een vergoeding toe van € 980,- op grond van artikel 89 Sv Pro en € 10.064,72 op grond van artikel 591a Sv. Het overige werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof kent een forfaitaire schadevergoeding van €980 toe en verhoogt de vergoeding voor kosten rechtsbijstand tot €10.064,72.