De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een gebiedsverbod dat hem door de burgemeester van Amsterdam was opgelegd. Het betrof vier afzonderlijke overtredingen in juni en juli 2017, waarbij de verdachte zich ondanks het verbod in het centrum van Amsterdam bevond.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet op de hoogte was van het gebiedsverbod. Het hof verwierp dit verweer op basis van het proces-verbaal waarin een politieambtenaar verklaarde dat de verdachte op 30 mei 2017 persoonlijk was geïnformeerd en een kaartje van het gebiedsverbod had ontvangen.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte op de genoemde data bewust het bevel niet opvolgde. Gezien de ernst van de feiten, de eerdere veroordelingen van de verdachte en het doel van het gebiedsverbod, vond het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar legde een lagere straf op dan door de advocaat-generaal was gevorderd.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht door de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twee maanden. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.