ECLI:NL:GHAMS:2018:1319
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming tot erkenning van minderjarige prevaleert boven emotionele weerstand moeder
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 april 2018 uitspraak gedaan over het verzoek van een man tot vervangende toestemming tot erkenning van zijn minderjarige dochter, tegen de wil van de moeder in. De moeder voerde aan dat erkenning schadelijk zou zijn voor haar en de minderjarige vanwege haar ernstige gezondheidsproblemen en de emotionele spanningen tussen haar en de man.
De rechtbank had eerder vervangende toestemming verleend, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep. Het hof heeft de feiten en omstandigheden, waaronder rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en het advies van de bijzondere curator, nauwkeurig gewogen. Hoewel de moeder PTSS en het syndroom van Ehlers-Danlos heeft, en de relatie tussen haar en de man verstoord is, concludeert het hof dat erkenning geen reëel risico vormt voor de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van de minderjarige.
Het hof benadrukt dat het belang van de minderjarige om te weten wie haar biologische vader is en dat de juridische situatie daarmee overeenkomt, zwaarder weegt dan de emotionele weerstand van de moeder. De moeder krijgt begeleiding en ondersteuning, en er is geen aanwijzing dat erkenning de opvoedingssituatie destabiliseert. Het verzoek tot een deskundigenonderzoek wordt afgewezen. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige door de man, ondanks de bezwaren van de moeder.