ECLI:NL:GHAMS:2018:1350
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt recht op vrijheid van meningsuiting bij publicatie over bomaanslag en vastgoedconflict
In deze civiele zaak gingen appellanten, betrokken bij een vastgoedbedrijf, in hoger beroep tegen Het Parool wegens publicaties over een bomaanslag op hun kantoor en een vermeend conflict rond een vastgoedtransactie. De artikelen suggereerden een verband tussen de aanslag en zakelijke geschillen, wat appellanten onrechtmatig vonden en hun persoonlijke levenssfeer en reputatie aangetast.
Het hof stelde vast dat de feiten die ten grondslag lagen aan de publicaties niet in geschil waren en dat de artikelen voldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, waaronder politiegegevens en getuigenverklaringen. Het Parool had bronnen uit opsporingskringen gebruikt, en hoewel de identiteit van deze bronnen geheim bleef, was er geen reden om aan de betrouwbaarheid te twijfelen. De publicaties maakten een voorbehoud over het verband tussen het conflict en de aanslag.
Verder was het hof van oordeel dat Het Parool voldoende uitvoering had gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor, aangezien appellanten bewust geen commentaar wilden geven. De naamsverwisseling in het artikel was niet voldoende om onrechtmatigheid aan te nemen. Ook andere artikelen die appellanten onrechtmatig vonden, werden afgewezen omdat zij onvoldoende feitelijke onjuistheden of schade toonden.
Het hof concludeerde dat de vrijheid van meningsuiting van Het Parool zwaarder woog dan het belang van appellanten bij bescherming van hun persoonlijke levenssfeer en eer. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de publicatie van Het Parool niet onrechtmatig was jegens appellanten.