Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten huurden sinds 2007 een woning van Eigen Haard. Na een ontruimingsvordering die in kort geding werd afgewezen, startte Eigen Haard een bodemprocedure. Bij verstekvonnis van februari 2017 werd de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming bevolen, met een contractuele boete en proceskostenveroordeling.
Appellanten stelden verzet in tegen het verstekvonnis en vroegen in kort geding een verbod op tenuitvoerlegging totdat het verzet was beslist. De voorzieningenrechter wees dit af, waarna appellanten in hoger beroep gingen met het verweer dat het Ritzen-Hoekstra-criterium ten onrechte werd toegepast en dat er geen volledige belangenafweging was gemaakt.
Het hof overwoog dat het Ritzen-Hoekstra-criterium ook voor verstekvonnissen geldt, tenzij sprake is van misbruik van bevoegdheid door de executant. Appellanten konden geen feiten aanvoeren die een uitzondering rechtvaardigen. Ook omstandigheden na het vonnis, zoals opname van een appellant in een psychiatrische afdeling en het tijdelijk verblijf elders, werden niet als nieuwe feiten aangemerkt.
Het hof verwierp de grieven en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter, veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellanten af, met veroordeling in proceskosten.