ECLI:NL:GHAMS:2018:1609

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 april 2018
Publicatiedatum
17 mei 2018
Zaaknummer
200.200.394/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbetering beschikking Ondernemingskamer inzake wanbeleid en proceskostenveroordeling

De Ondernemingskamer Amsterdam heeft op 6 april 2018 haar beschikking van 6 februari 2018 ambtshalve verbeterd. De verbetering betreft een kennelijke fout in de toewijzing van verantwoordelijkheden voor wanbeleid en de proceskostenveroordeling in een geschil tussen Recalcico Beheer B.V. en Xeikon N.V. en diverse belanghebbenden.

In de oorspronkelijke beschikking was sprake van tegenstrijdigheden tussen de overwegingen en het dictum met betrekking tot de verantwoordelijkheid van bepaalde bestuurders en commissarissen voor het wanbeleid bij de verwerving van het Accentis Belang. De Ondernemingskamer stelde vast dat bestuurders [R] en [S] wel verantwoordelijk waren, maar de commissaris [P] niet, terwijl in de overwegingen wel een rol aan [P] werd toegeschreven.

De Ondernemingskamer corrigeerde dit door in rechtsoverweging 5.56 en het dictum duidelijk te maken dat ook [P] als commissaris verantwoordelijk is voor het wanbeleid omtrent de Upstreaming, en dat alleen [R] en [S] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid bij de verwerving van het Accentis Belang. Tevens werd [P] alsnog veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Recalcico, wat eerder ten onrechte was weggelaten.

De beschikking bevestigt verder de vaststelling van wanbeleid door diverse bestuurders en commissarissen en veroordeelt meerdere belanghebbenden hoofdelijk in de proceskosten. De verbetering werd door de Ondernemingskamer ambtshalve doorgevoerd op grond van artikel 31 lid 1 Rv Pro wegens een eenvoudige herstelbare kennelijke fout.

Uitkomst: De Ondernemingskamer verbeterde ambtshalve haar beschikking door correcte toewijzing van wanbeleid en proceskostenveroordeling aan bestuurders en commissaris.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.394/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 april 2018
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RECALCICO BEHEER B.V.,
gevestigd te Boekel,
als gevolmachtigde en vertegenwoordiger van:
[A] , wonende te [....] ,
[B] , wonende te [....] ,
[C] , wonende te [....] ,
[D] , wonende te [....] ,
[E] , wonende te [....] ,
[F] , wonende te [....] ,
[G] , wonende te [....]
VERZOEKSTER,
advocaten:
mrs. J.M. van den Bergen
M. Wolters, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de naamloze vennootschap
XEIKON N.V.,
gevestigd te Eede,
VERWEERSTER,
advocaat:
mr. E.M. Soerjatin, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

1.[H] ,

wonende te [....] ,
2.
[J],
wonende te [....] ,
3.
[K],
wonende te [....] ,
advocaten:
mrs. M.W.E. Eversen
J.L.M. Wonders, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

4.[L] ,

wonende te [....] ,
advocaten:
mrs. A.N. Stoopen
D.D. Krop, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BENCIS CAPITAL PARTNERS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
6.
[M],
wonende te [....] ,
7.
[N],
wonende te [....] ,
advocaten:
mrs. R.G.J. de Haanen
M. Keuper, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

8.[O] ,

wonende te [....] ,
advocaten:
mrs. G.E. Endedijken
R.J.W. Analbers, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

9.[P] ,

wonende te [....] ,
advocaat:
mr. R.M.A. Lensen, kantoorhoudende te Terneuzen,
10.
[Q],
wonende te [....] ,
advocaat:
mr. P.J. van der Korst, kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDEN,

11.[R] ,

wonende te [....] ,
12.
[S],
wonende te [....] ,
13.
[T],
wonende te [....] ,
14.
[U],
wonende te [....] ,
15. de vennootschap naar Belgisch recht
IEP INVEST N.V.,
gevestigd te Ieper, België,
niet verschenen,
BELANGHEBBENDEN.

1.Het verloop van het geding

1.1
Partijen worden hierna als volgt aangeduid:
verzoekster als Recalcico;
verweerster als Xeikon;
belanghebbende sub 1 als [H] ;
belanghebbende sub 2 als [J] ;
belanghebbende sub 3 als [K] ;
belanghebbende sub 4 als [L] ;
belanghebbende sub 5 als Bencis;
belanghebbende sub 6 als [M] ;
belanghebbende sub 7 als [N] ;
belanghebbende sub 8 als [O] ;
belanghebbende sub 9 als [P] ;
belanghebbende sub 10 als [Q] ;
belanghebbende sub 11 als [R] ;
belanghebbende sub 12 als [S] ;
belanghebbende sub 13 als [T] ;
belanghebbende sub 14 als [U] ;
belanghebbende sub 15 als Punch International.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking van 6 februari 2018 in deze zaak. De daarin gedefinieerde begrippen hebben in de onderhavige beschikking dezelfde betekenis.
1.3
Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – vastgesteld dat (i) zich wanbeleid heeft voorgedaan ten aanzien van de
Upstreamingen de verwerving van het Accentis Belang in 2008 en ten aanzien van de Overname (omgang met tegenstrijdig belang en
Carve Out) in 2013, een en ander zoals omschreven in r.o. 5.10 (
Upstreaming), r.o. 5.27 (verwerving van het Accentis Belang) en r.o. 5.39 (tegenstrijdig belang) en r.o. 5.47 (
Carve Out) van die beschikking;
(ii) [R] , [S] en [P] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de
Upstreaming;
(iii) [H] , [L] en [O] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het Accentis Belang;
(iv) [H] , [K] en [J] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de
Carve Outen de omgang met tegenstrijdig belang als elementen van de Overname;
en [H] , [O] , [L] , [J] en [K] hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Recalcico, begroot op € 4.294.
1.4
In rechtsoverweging 5.56 van die beschikking heeft de Ondernemingskamer het volgende overwogen:

De Ondernemingskamer acht [R] en [S] als bestuurders van Xeikon en [P] als commissaris van Xeikon verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van deUpstreaming
en de verwerving van het Accentis Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [R] , [S] en [P] is overwogen.
1.5
[O] heeft bij brief van mr. Analbers van 27 februari 2018 verzocht de beschikking van 6 februari 2018 op twee punten te verbeteren:
a. in het dictum wordt ten onrechte niet vermeld dat ook [P] , [R] en [S] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het Accentis Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.56 staat dat deze personen verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de
Upstreamingen de verwerving van het Accentis Belang;
b. [P] is ten onrechte niet veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Recalcico.
1.6
Xeikon (brief van mr. Soerjatin van 6 maart 2018), alsmede Bencis, [M] en [N] (e-mail van mr. De Haan van 7 maart 2018), en [Q] (e-mail van mr. Van der Korst van 7 maart 2018) hebben zich ten aanzien van het verzoek van [O] gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
1.7
[L] (brief van mr. Stoop van 27 februari 2018) en Recalcico (brief van mr. Wolters van 6 maart 2018) hebben zich achter het verzoek van [O] geschaard. Hetzelfde geldt voor [J] , [K] en [H] (e-mail van mr. Wonders van 7 maart 2018), die daaraan hebben toegevoegd dat zij ook zelfstandig verzoeken om de beschikking te verbeteren op de door [O] vermelde punten.
1.8
Mr. Lensen heeft namens [P] geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [O] en zelf verzocht de beschikking te verbeteren, voor zover die beschikking in rechtsoverwging 5.56 inhoudt dat [P] verantwoordelijk is voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het Accentis Belang.
1.9
Van [R] , [S] , [T] , [U] en Punch International is in dit verband niet vernomen.

2.De gronden van de beslissing

2.1
De Ondernemingskamer constateert dat haar beschikking van 6 februari 2018 een tegenstrijdigheid bevat tussen enerzijds de overwegingen over het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het Accentis Belang (r.o. 5.16-5.27) en anderzijds de conclusie over de verantwoordelijkheid daarvoor (r.o. 5.56). Het gaat hier om een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, een en ander als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv Pro. Uit de overwegingen (r.o. 5.16-5.27) die hebben geleid tot het oordeel van wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het Accentis Belang volgt onmiskenbaar dat [R] en [S] als bestuurders van Xeikon verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het Accentis Belang, dat onder meer is gelegen in de beslissing van Xeikon om verwerving van het Accentis Belang als betaling van de door de
Upstreamingontstane schuld van Punch International aan Xeikon te accepteren. De genoemde overwegingen bevatten ten aanzien van [P] geen aanknopingspunten voor de vaststelling van zijn verantwoordelijkheid (als commissaris van Xeikon) voor de verwerving van het Accentis Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.15 wel wordt ingegaan op de rol van [P] bij de
Upstreaming.
2.2
Rechtsoverweging 5.56 dient dan ook te worden verbeterd en als volgt te luiden:

De Ondernemingskamer acht [R] en [S] als bestuurders van Xeikon en [P] als commissaris van Xeikon verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming. Voorts acht de Ondernemingskamer [R] en [S] als bestuurders van Xeikon verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het Accentis Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [R] , [S] en [P] is overwogen.
2.3
Op grond van het voorgaande moeten [R] en [S] in het dictum van de beschikking worden toegevoegd aan de daar genoemde personen die verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het Accentis Belang.
2.4
Ten aanzien van de proceskostenveroordeling geldt het volgende. Gelet op de vastgestelde verantwoordelijkheid van [P] als commissaris van Xeikon voor het wanbeleid ten aanzien van de
Upstreamingdient ook [P] als overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Recalcico. Bij vergissing is [P] niet genoemd in rechtsoverweging 5.70 en in de proceskostenveroordeling in het dictum. Deze kennelijke fout leent zich eveneens voor eenvoudig herstel.
2.5
Slotsom is dat de Ondernemingskamer de beschikking van 6 februari 2018 ambtshalve zal verbeteren op de voet van artikel 31 Rv Pro, als hierna te vermelden. Het beroep van [P] op het ontbreken van belang aan de zijde van [O] bij diens verzoek tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling, kan daaraan niet afdoen.

3.De beslissing

De Ondernemingskamer:
verbetert haar in de onderhavige zaak op 6 februari 2018 gegeven beschikking aldus dat
- rechtsoverweging 5.56 komt te luiden als volgt:
“De Ondernemingskamer acht [R] en [S] als bestuurders van Xeikon en [P] als commissaris van Xeikon verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de
Upstreaming. Voorts acht de Ondernemingskamer [R] en [S] als bestuurders van Xeikon verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het Accentis Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [R] , [S] en [P] is overwogen.”;
- rechtsoverweging 5.70 derde volzin komt te luiden als volgt:
“De Ondernemingskamer merkt [P] , [H] , [O] , [L] , [J] en [K] aan als overwegend in het ongelijk gestelde partijen en zal hen daarom veroordelen in de proceskosten aan de zijde van Recalcico.”;
- het volledige dictum in onderdeel 6 van de beschikking van 6 februari 2018 komt te luiden als volgt:
“stelt vast dat zich wanbeleid heeft voorgedaan ten aanzien van de
Upstreamingen de verwerving van het Accentis Belang in 2008 en ten aanzien van de Overname (omgang met tegenstrijdig belang en
Carve Out) in 2013, een en ander zoals omschreven in r.o. 5.10 (
Upstreaming), r.o. 5.27 (verwerving van het Accentis Belang) en r.o. 5.39 (tegenstrijdig belang) en r.o. 5.47 (
Carve Out);
stelt vast dat [R] , [S] en [P] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de
Upstreaming;
stelt vast dat [R] , [S] , [H] , [L] en [O] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het Accentis Belang;
stelt vast dat [H] , [K] en [J] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de
Carve Outen de omgang met tegenstrijdig belang als elementen van de Overname;
veroordeelt [P] , [H] , [O] , [L] , [J] en [K] hoofdelijk in de kosten van het geding aan de zijde van Recalcico, tot op heden begroot op € 4.294;
veroordeelt Recalcico in de kosten van het geding aan de zijde van Bencis, [M] en [N] , tot op heden begroot op € 3.398, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag, indien de proceskosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;
veroordeelt Recalcico in de kosten van het geding aan de zijde van [Q] , tot op heden begroot op € 2.996;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.”;
en stelt de verbetering op de minuut van die beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en drs. C. Smits-Nusteling RC, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen en mr. S.C. Prins, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 april 2018.