ECLI:NL:GHAMS:2018:172
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing voorzitter kamer gerechtsdeurwaarders
Klaagster heeft op 2 juni 2017 hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, die op 30 mei 2017 een klacht van haar tegen meerdere gerechtsdeurwaarders deels als kennelijk niet-ontvankelijk en deels als kennelijk ongegrond had afgewezen.
De voorzitter van de kamer had de klacht behandeld op basis van artikel 39 lid 1 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet. Tegen deze beslissing kan volgens artikel 39 lid 2 Gdw Pro alleen binnen veertien dagen schriftelijk verzet worden gedaan bij de kamer zelf. Een ander rechtsmiddel staat niet open.
Het hof heeft de zaak op 21 december 2017 buiten aanwezigheid van partijen behandeld en geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij niet het juiste rechtsmiddel heeft gekozen. De beslissing van de voorzitter van de kamer blijft daarmee in stand.
Het hof verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk en bevestigt dat het verzet bij de kamer het enige beschikbare rechtsmiddel is tegen de beslissing van de voorzitter.
Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.